Spreu

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Het is november en de winter nadert. Als we 's morgens om zeven uur de deur achter ons dicht trekken, valt de vrieskou meteen op ons. We trekken onze mutsen over de oren, schuiven de dassen over de kin tot onder de neus, zodat onze lippen beschermd zijn. Dan gaan we daar weer op de klompen naar waar we geacht worden loopgraven en schuttersputten te graven voor de Duitsers. We zijn gedwongen dat te doen om ... levens van lotgenoten te sparen.

Het is 1944. Strengere winters dan in de beginjaren veertig heb ik zelden meegemaakt daarna. Maar niet daardoor staan de gebeurtenissen uit die jaren me in het geheugen gegrift. De combinatie van bezetting, gebrek aan voedsel voor velen, kou, dood en verderf, jodentransporten doet me nog altijd in die tijd ook leven. Steeds beleef ik het weer.

Daar staan we. We hebben de handen in de zak; we rillen in de kou, maar we steken nauwelijks een hand uit om wat te doen. Als de wacht, geweer aan de schouder, nadert, bukken we en we nemen een werkende houding aan. Als hij terugloopt naar een andere werkplek, draaien wij een shagje en we warmen er onze neus mee. Dan zie ik plotseling de lippen van Bertus. Er zitten diepe kloven in van schraalheid, droogte, en korsten van koorts. Hij is bovendien erg bleek. Bertus merkt dat ik het zie. "Ik hebbe een beetjen spreuje lippen. Dee bint wat ruw en ebersten van de dreuge kolde", zegt hij. "Iej konnen wel koorts hebben", zeg ik, "want der zit oke korsten op". Bertus reageert niet. Hij trekt rustig verder aan zijn shagje.

Nu sta ik hier weer. De belevenis van vijfenvijftig jaar geleden vermengt zich met die van daarna en nu. Ik stel me taferelen voor ergens in Europa, waar mannen en vrouwen in dezelfde omstandigheden verkeerd hebben en verkeren, zoals wij in vierenveertig. In Frankrijk hoor ik Bertus zeggen: "Mes lèvres ont des crevasses, elles sont séparées (spree)". Dat is natuurlijk Frans van niks, maar voor een schooljongen uit Nederland heel wat: "Mijn lippen hebben barsten, zij zijn gescheiden (gespreid). In ieder geval geeft het goed de stam weer die aan 'spreu' ten grondslag liggen kan, Want kou was er in alle eeuwen, en zeker de laatste tweeduizend jaar. Zo oud moet 'spreu' ook zijn!

"Meine lippen sind spröde", zegt Bertus nu nog in Duitsland, als zijn geest daar vertoeft, want Bertus is niet meer hier. Al jaren geleden is hij overleden. "Mijn lippen zijn broos, hard, ruw en droog". En ik zie hem daar staan, als jongen van zeventien, met zijn volle en toch gebarsten mond.

"Mèèn lippe zèèn sproosk", zegt hij in een Hollands dialect. "Mijn lippen zijn opengesprongen". En dan zie ik hem plotseling staan als een ridder in de Middeleeuwen, in Engeland: "My lips are sprepe". Ook hier is de oude taalwortel -spre-, -spra- aanwezig.

Is de taal misschien het gebied waarop ik mijn jongenservaringen uit de laatste wereldoorlog voortdurend verwerk? Kanaliseren zich zo mijn gedachten? Dan zou mijn belangstelling voor taalgeschiedenis een therapeutische werking hebben! Dit laatste jaar realiseer ik me dat steeds meer. De spreuje, gebarsten werkelijkheid van oorlog, vrede, strijd, vluchtelingen, honger, overvloed, armoede, rijkdom, werpt de mens in een koortsige broeikas waarin hij, zij dreigt te stikken. Het begint met een spreuje geest! Maar die barsten, die ruwheid wil ik niet. Ik wil wat doen. Maar ik heb enkel enige taalervaring, dus ga ik zitten om te schrijven. Met de tong bevochtig ik mijn lippen. Ze zijn niet spreu.