Spoorbrug

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Nu sta ik bij de Deventer spoorbrug. Mooie brug, strak van lijn. Het 'zunneken' schijnt. Op de Ossenweerd, de uiterwaard onder en naast de brug, draaft een prachtige zwarte merrie, of is het een hengst, ik kan het niet goed zien. In ieder geval is het een 'peerd' dat daar 'geet' (gaat). Dat rijmt. Dat doet me spontaan zeggen: "Gunter op d'n Oss'nweerd, galoppeert een prachtig peerd; en as ik dat zoo bekieke, veul ik mien härtstikke rieke." Ik realiseer me onmiddellijk dat, als ik zeg: "Ginder op de Ossenweerd, galoppeert een prachtig paard; en als ik dat zo bekijk, voel ik me ontzettend rijk", er van het rijm weinig of niets overblijft. Ik heb trouwens de indruk dat het Deventer gemeentebestuur de naam 'weerden' voor 'waarden' niet zo ziet zitten. Dat zou jammer zijn, want met die -ee- zou ook weer een heel klein stukje Nedersaksisch taaleigen verdwijnen.

"Proat iej altied härdop?" (Praat U(jij) altijd hardop?)

"Pedon?"

"Meneer proatten härdop".(praatte)

"Dat doe ik weleens vaker, als ik ergens van onder de indruk ben. Dan valt me iets in wat ik onthouden wil om het later op te kunnen schrijven".

"Vin' iej dee brugge dan mooi? Dee van veur veertig was völle mooieder as dissen; dree mooie boagen en rechte dubbele T-balkenstelsels. Toen kwammen de moffen...". En de man vertelt hoe op 10 mei 1940 twee van de drie mooie 'boagen' 'op'ebloazen' werden - 'wieren', zegt hij. Hij vertelt over de 'holten' (houten) noodbrug die er kwam, over de 'bevrijding' van Deventer op 10 april 1945, over de bouw van de Catherine-Millerbridge, de 'Beejlie-brugge'.

Veertig jaar heeft die spoorbrug er gelegen, weet ikzelf. Midden tachtig is deze strakke constructie er gekomen, weer met fiets- en voetpad. Zo was het voor de oorlog ook, maar toen konden de auto's ook over de brug komen en gaan.

"Ik wete alles van disse (deze) brugge; ik bin hier Onder de Linden geboren, vlak an 'n Iesselt".

Ik hoor van hem dat hij vindt dat er veel te veel rommel in het water gesmeten wordt en dat je in zijn jeugd in het 'Iesselbad' nog in betrekkelijk schoon water kon zwemmen: "Dat zwembad lei (lag) bie de schipbrugge. Ik mot toegeven dat der of en toe wel'is (weleens) 'wat' veurbie kwam, dat wel ja".

Ik vraag wat 'wat' is. Het blijkt een verzachtende uitdrukking voor een hard brok uitwerpsel te zijn. Hij zegt dat ze als jongens ook wel spraken van 'bolte' (bout), maar dat kun je in deze tijd niet meer gebruiken; dat klinkt veel te onbegrijpelijk. Ik ben het volkomen met hem eens.

Wat ik neet snappe (begrijp), is dat ze 'IJssel' met twee s-en schrieft; het mot möör met ene -s-. Ken iej de 'Aa' in Broabant; dat is nog femilie van 't Latijnse 'aqua', dat 'water' betekent. Loat iej de 'qu' weg, dan krie'j 'aa'. Hebt ze mien bie de dialektkringe verteld".

Ik wist dat het zo niet helemaal zat, maar dat lag meer aan de uitleg. De strekking was juist. We waren het er over eens dat IE-sel best 'water door moeras' zou kunnen betekenen, maar of je zo'n 'geschiedenis' ook in de spelling moet vastleggen?

We kwamen samen op nog veel aardrijkskundige namen waarin het water een rol speelt: Drentse Aa, Dokkumer Ee, Krommen-ie, Goer-ee, E-pe, E-dam.

"Iej bint vaste schoolmeester", zei de man, toen we uit elkaar gingen. Dat kon ik niet ontkennen, ook al ben ik 'in ruste'.