Spitmien

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Dat moet ik gedroomd hebben! Vast in mijn herinnering zit het eind van een aftelversje in het dialect. ... itmien ... , spitmien is dat eind. De rest van het versje, of misschien waren er meer versjes met dat slot, herinner ik me absoluut niet. Ik ben met itmien-spitmien op pad geweest. Ik heb her en der gevraagd wie zich het versje herinnert, maar ik heb tot nu toe bot gevangen. Niemand kan me helpen. Af en toe word ik zelfs een beetje uitgelachen, zo van 'nou, nou, jij verzint tegenwoordig ook maar wat bij elkaar; zeker om aan een stukje voor de krant te komen'. "Het spijt me, spitmien", zeg ik dan, "maar het zit me nu eenmaal in mijn kop, en ik weet niet hoelang al, zitmien, itmien, spitmien", en ik wijs met een lachend gezicht op mijn voorhoofd".

Ik denk er nu weer aan, na die woordenwisseling die ik ongewild meemaakte. Ik weet niet eens wat er gebeurd was, maar twee mannen stonden als kemphanen tegen over elkaar in een bijna lege ruimte waar ik net naar binnen wilde gaan. De een had een rooie kop, waaruit ik afleidde dat hij er van alles uitgegooid had; en ik viel binnen, terwijl de ander, de handen in vertwijfeling ten hemel heffend, riep: "Spitmiendonders!" De eerste vloog hem bijna aan en ik trok me schielijk wat terug, want zij hadden mij nog niet opgemerkt.

"Wou je me nog uitschelden ook, ik zal je!" "Het sssspijt me, sssoorry", hakkelde de aangevallene. Op slag was de eerste rustig. "Dat dacht ik ook; je mag mij je verontschuldigingen wel aanbieden voor je brute taal!" "Dat deed ik ook, spit mien donders betekent het spijt me heel erg, ik had jou niet zo moeten veroordelen". "Spitmiendonders", antwoordde de eerste, "ik begreep het verkeerd, sorry". Met veel lawaai stapte ik naar binnen.

Spiet, zo uitgesproken in de Middeleeuwen en toen al gespeld als spijt, betekent 'berouw'. Het woord geeft aan dat ik iets verkeerd gedaan heb dat ik niet meer kan herstellen; daar spreek ik mijn verdriet over uit. 'Rouw' is immers verdriet over een onherstelbaar verlies. Spijt is ontstaan uit despijt, wat weer ontstaan is uit het Oudfranse despit. Dat is het ook in het Volkslatijn. In het Frans bestaat dépit, wat berouw betekent. Spitmien, spitmiendonders, spijtme, spijtme-erg zijn natuurlijk uitdrukkingen die weinig meer zeggen dan sorry, pardon, maar ze zijn wel van eigen bodem, Nederlands of Plat. Wat uit het Oudfrans stamt en voor de Middeleeuwen al tot ons kwam, mag toch zeker tot het taaleigen gerekend worden.

"Ik heb spijt" of "Het spijt me" luiden de volledige uitdrukkingen. In het tweede geval is spijt de derde persoon enkelvoud van het onpersoonlijke werkwoord spijten in de tegenwoordige tijd. Ik kan niet spijten. Iets kan mij spijten. Spijten als persoonlijk werkwoord zou moeten betekenen verachten, maar dat woord heb ik nog nooit in welke vorm dan ook horen gebruiken: "Ik spijt jou als de pest!" Dat zou dan moeten betekenen: "Ik veracht jou verschrikkelijk!". Ik kan iemand dan wel uitspuwen of uitspijen. En die uitdrukking wordt wel gebezigd.

In de Nedersaksische dialecten zeggen we 'spieten'. "Het spit mien", heeft daar vaak veel inhoud. We tonen er werkelijk berouw mee. Anders wordt het, wanneer we het snel als één woord zeggen en er zo een tussenwerpsel van maken: "Spitmien, möör dat he'k neet eweten". Dan blijft er niet veel waarde aan de verontschuldiging verbonden. "Spitmiendonders", zeg ik vaak, als ik wil aangeven dat de mening van een ander me weinig schelen kan: "Spitmiendonders, ik goa toch mien eigen gang". Enkel 'spitmien' gebruik ik dan ook wel. "Allemoale esnapt? Spitmien".