Sokken

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Het is al weer een maand of twee geleden, dat ik de doop van "Olster woorden", een uitgave van 'Historische Vereniging 't Olster Erfgoed' mocht meemaken in de 'Bökkersmölle' in Olst. Gerrie van der Waarde-Nikkels, bekend schrijfster en dichteres uit Wesepe, was er ook. 'Radio Oost' was er met de man van 'Regio-Taal', Piet Abbringh. Gerrie en ik mochten er ons woordje doen, Gerrie uit haar pas verschenen verhalenserie "Zunnebargen", dat zijn veertien mooie dialectverhalen, ik uit mijn lezing "Het nut van een dialect als tweede taal". 'Radio Oost' zond in de weken na het uitreiken van het eerste exemplaar aan de loco-burgemeester van Olst fragmenten van deze gezellige avond uit met zelfs een blekkend aanwezige hond op de achtergrond. En inderdaad, de honden lusten er brood van, van zo'n boekje.

Nu ligt het voor me en ik sla het willekeurig open, want uit dit boekje wil ik een woord kiezen voor mijn 'Vertaald'. Ik kom terecht op bladzijde 87; ik lees er een woord: zökke 1. slappeling, 2. sok. Ik grijp meteen naar mijn andere dialectwoordenboeken. Dat zijn er niet zoveel, maar toch genoeg om te ontdekken dat 'sokke' of 'zokke' ook zonder umlaut voorkomt. Verder vind ik in het Deventers nog de volgende vermeldingen: Mien auto steet op zokken = Mijn auto heeft te slappe banden. Verder staat daar een afgeleide bijvoeglijke vorm, die ikzelf ook nog wel gebruik, al heb ik tegenwoordig niet meer zo vaak een lekke band: zok - zacht, slap, lek; Mien fietse steet met een zokke band. Zelf zeg ik ook wel: "Mien band is al weer zok, as e möör neet lek is". 'Zok' is voor mij 'Zacht'. Of de band lek is, moet nog blijken. 'Een zokke van een vent' is dus een slome, slappe en onbeholpen figuur. Van Sokke of Zokke blijken in het dialect in onze streken, Salland, Oost-Veluwe, Achterhoek, Twenthe, te zijn afgeleid woorden als: Zokkebreier, Zokkebroajer, Zokkestopper, Zokkewasser en andere. Ze drukken alle het 'zachte', in goed Nederlands tegenwoordig het 'softe' van de persoon uit, die met een van deze namen wordt aangeduid. Deze woorden stellen onze sokken of zokken enigszins in een kwaad daglicht, terwijl deze omhulsels van onze voeten ons toch al duizenden jaren een zachte, warme, en daardoor zeer grote dienst bewijzen. Bij de Romeinen vinden we op schrift al de 'soccus', de lage schoen of kleine laars, gevoerd vanbinnen. De Middeleeuwse Nederlander droeg de 'zocke', een zooltje om de voet vastgebonden met bandjes. In het Grieks is 'sukchos' aangetroffen. De oorspronkelijke betekenis is schoen. Het Baskische 'oskis' moet er ook familie van zijn.

De oorspronkelijke betekenis is nog zichtbaar in 'sokkel', wat nog steeds 'voetstuk' inhoudt; en wat is een schoen anders?

Sokken zijn nu omhulsels van de voeten en een stukje van het been. De betekenis is opgeschoven. Een sok is zacht en slap. Een lege band kan vergeleken worden met een sok. Als ik zeg: "Mijn band is zo slap als een sok", heb ik het begin van een beeldspraak; ik bezig namelijk een vergelijking. Zeg ik echter: "Mijn band is sok" of "Mijn band iz zok", dan heb ik een beeldspraak gebruikt, die op vergelijking berust: een zogenoemde metafoor. In het dialect is deze beeldspraak al zo lang gebruikt, dat hij 'versleten' is. Hij wordt niet meer als beeldspraak gevoeld.

Een zökke is niet meer dan een slap en leeg omhulsel. Het is maar goed dat die beeldspraak zo versleten is, dat het zo ongustig nou ook weer niet klinkt.

De "Olster woorden" wens ik een voorspoedig leven, vooral nu ze op schrift 'geboren' zijn dank zij een ijverige 'kraamcommissie' om maar eens een paar metaforen te gebruiken.