Snoard

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Voor me ligt een pas ontvangen brief, dit keer in het Nederlands gesteld, van Dick Woertman uit Zutphen. Die zal ik eerst maar eens rustig lezen. ..... . Zo, hij biedt leuke dingen en hij stelt een paar fijne vragen: '... Ik heb ook nog enkele woorden, waarvan ik niet meer weet of ik ze al eens naar Diepenveen heb doorgegeven. Een grasmaaiende boer had vroeger de zeis aan 'de boom', het handvat zogezegd. Soms van hout, later van hol ijzer, elk met twee handvatten eraan. Dit heette de 'zeiseboom'.Graan maaien gebeurde met twee instrumenten, nl. de zicht (in de rechterhand) en de 'mathoak' of 'kraphoak' in de linkerhand om zo mooie garven te maken. De zicht zat aan de steel. Die werd ''t snao(r)t' genoemd (uitspr. als boord). Waar komt nu dat woord vandaan? ...' Dan vraagt Dick nog naar de afkomst van 'schieuw', vogelverschrikker, en naar de oorsprong van het Twentse 'kussentöge'.

Daar zit ik dan. Dick noemt zijn vragen 'een paar puzzeltjes voor Gerrit op een stormachtige regenmiddag'. Leuk! Het zijn echter geen puzzeltjes voor me. Schieuw komt regelrecht van schieuwen of schuwen en dat heeft als zo vele woorden twee tegengestelde betekenissen. De ene is 'ontwijken' en 'bang zijn', de andere is 'schrik aanjagen'. In het Oudhoogduits, vermoedelijk ook in het Oudsaksisch luidt het 'skiuhen', uitspreken als 'skieuwgen'. Een 'kussentöge' is een 'tijk', kussenovertrek, Middelnederlands 'tike', vergelijk Oudsaksisch 'tiohan', uitspreken als 'tiegen' met een lange ie. Dat betekent 'trekken'. En nu 'snao(r)t'. Hoewel dat geen puzzel voor me is, zit ik toch met een probleem. Er is zoveel over de oorsprong te vertellen, dat ik zit met de spelling van het woord. Daar wil ik de oorsprong in laten zien.

Zo, ik heb even thee gedronken en mijn vraagstuk is opgelost. Ik moet bij 'snoer' beginnen. Een snoerboom is een als een snoer geleide boom, in de land- en tuinbouw in ieder geval. Die moet veel en vaak gesnoeid worden om hem goed te leiden. Bij huizen en boerderijen heb ik dat veel gezien. 'Snoei' en 'snoer', 'snooi' en 'snoor' hebben dezelfde klank. 'Snoer' en 'snaar' zijn afgeleiden van elkaar. Het doet er niet toe of de kip of het ei er het eerst was. De R en de D liggen in de spraak dicht bij elkaar. Van 'snaar' is men snel op 'snaad' en omgekeerd. De steel van een zeis wordt weleens 'snaad' genoemd. De mensen in de Achterhoek spreken van 'snoad', als zij het hebben over het handvat met de 'boom' van zeis en zicht. Het schiet me plotseling te binnen dat zij een zeis een 'zwa' noemen. Dat komt van 'zwaaien'. Met dat laatste is aangetoond dat gebruikers van het dialect altijd namen geven, die direct in hun belevingswereld liggen. Een 'snoad' is een uit het boerengeriefhout ge'snoaj'de rechte tak, die 'snoad' genoemd wordt op grond van de zaken die ik net heb overwogen. "Hé, Dick, collega, iej hebt geliek' ehad! Dit was een puzzel, wöörvan ik de stukskes veurzichtig in mekäre passen mos'". Het past allemaal, maar .... is het juist? Geen mens die mij antwoord kan geven op deze vraag. Ik moet straks mijn lezers er nog maar eens op wijzen, dat ik slechts kan vermoeden welke hersenspinsels zich bij de taalgebruikers in het verleden voorgedaan hebben. Fijn vind ik het dat er zoveel mensen als Dick uit Zutphen zijn, die zich voor deze zaken interesseren.

Alles overdenkend kom ik tot de spelling 'snoard'; die zal ik uitspreken als 'snoort'. Zien kan ik dat snaar, snoer, snoeien, snaad erin samenkomen. Door het duidelijke tekeningetje van de zicht die Dick bij zijn brief gedaan heeft, weet ik ook nog dat de zicht bestaat uit een snijblad, een snoard, met leren riempje waar de wijsvinger door kan en het blad voor wat steun aan de arm.