Snigge

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Een aardige brief ontving ik van mevrouw W.H.Kuiper-Verkuyl uit Almen naar aanleiding van wat ik schreef over de bromtroetse, de vrouwelijke mopperkonte, die afgeleid bleek te zijn van troet, trut, dat week of slap betekent. Zij schrijft:

'Uw verhaal over de bromtroetse vond ik erg leuk. Mij kwam in de herinnering een gebeurtenis op een reis. Ik zat na een vermoeiende dag in Zweden met de chauffeur van de bus aan een tafeltje te wachten op het eten. De chauffeur was een zeer onplezierig exemplaar van het geslacht mens. Een hark zogezegd. Hij zat onderuitgezakt met een gemelijk gezicht alles aan te zien. Komt er een aardig dienstertje langs, die met een allerliefst gezichtje tegen hem zegt: Trött? Hetgeen uitgesproken wordt als - jawel - trut.

De chauffeur schiet overeind en vraagt mij: "Wat zeit ze?"

En ik begon uit te leggen, dat ze vroeg, of hij soms moe was, want "trött" dat betekent "moe" in het Zweeds.

Wat heb ik gelachen om zijn verbaasde gezicht. Maar ...... heeft dat Zweedse trut nog iets met ons troet en trut te maken? Ik denk van wel, moe word je ervan van bromtroetses!'

Inderdaad moet dat Zweedse woord van dezelfde afkomst zijn als troet en trut. Nog sterker, trött en troet zijn nu nog synoniem, ze bedekken elkaar gedeeltelijk in betekenis. Iemand die moe is, voelt zich vaak slap, week; de fut is eruit. Wanneer men een Zweed voortdurend met dezelfde zaken lastig valt, wordt hij er trött van. Wij zouden kunnen zeggen: er trot van worden. Trot zou klanknabootsend gevormd zijn naar het geluid van kokende pap. Dat neem ik dan maar voor kennisgeving aan. Overigens doet dat weke gedoe me aan een tragische gebeurtenis denken, op de avond van Dierendag nog wel. Ik stap de achterdeur uit, het donker in, naar de garage. Onder mijn rechter voet hoor ik gekraak en ik glijd bijna uit. Bij het licht van de spaarbuitenlamp overzie ik de ramp: brij-achtig slijk, troet, met de scherven van een slakkenhuis erop drijvend. Ik slik even. Einde van een leven. Dat de slak zijn naam te danken heeft aan slijk en slik realiseer ik me op dat moment niet. Dat komt pas later, als ik op een heel oud kalenderblaadje lees: Den haze en de snigge hebt gelieke oldejoarsoavend; de haas en de slak hebben tegelijk oudejaarsavond. Dat zal zoveel betekenen als: haast U langzaam. Ik denk bij het lezen van deze tekst echter, dat mijn dode snigge nooit meer oudejaarsavond zal hebben. Je kunt dus beter maar niet al te langzaam zijn, want voor je het weet ... . Slak en het Nedersaksische snigge kunnen ook klanknabootsend gevormd zijn. Zij zijn in de loop der eeuwen uit een heel oude woordstam ontwikkeld, die ongeveer als sjli moet geklonken hebben. Misschien was dat wel een nabootsing van het zuigende geluid dat ontstaat bij waden door het slijk van de wadden. Woorden als slijm, slijk, slik, slak, slijm, maar ook woorden als snecke (Oostmiddelnederlands), Schnecke (Hoogduits), snegl (Deens), slekke en slakke (Deventers), snigge (Achterhoeks en Twents). De woorden slak, slakke, slekke, snegl, snecke, Schnecke, snigge geven alle aan dat we met een weekdier te doen hebben, dat slijmerig en troeterig zijn glibberige glinsterende pad trekt over velden en door weiden, met zijn huis op de rug, als het tenminste geen naaktslak is.

"De slekken kroept, wieluu kriegt règen", zeggen ze in Deventer en omgeving. En op een kinderpartijtje is een van de raadseltjes vaak: ''t Geet oaver de brugge met zien huus op de rugge'. Ik ga in de zomer naar de campings met mijn 'sniggenhoes' of 'slekkendop', want ik moet geen buschauffeur die trött is.