Smolt

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

We gaan de oude herbouwde boerderij in. Hier in 'Ballenberg', het openluchtmuseum bij Brienz, Zwitserland, zijn uit alle streken van het land typische gebouwen verzameld. We komen in het woongedeelte. Er brandt een houtfornuis. Een pan staat op het vuur te geuren naar heerlijke snert. "Schnarzig, fijn, lekker", denk ik, "Zou daar ons woord snert vandaan komen?" Een meneer van onze leeftijd staat spekjes te snijden. Die zien er heerlijk uit. Hij schuift ze van het snijplankje af in de kokende snert. Het is 'schmalziges' spek, vet spek, waar ik juist zo van houd.

"Möchten Sie eine tasse Erbsensuppe?" vraagt de man. We zeggen: "Gerne; aber was kostet das?" De meneer zegt ons, wijzend op een bakje dat op tafel staat, dat we wat in het bakje kunnen doen, als we de erwtensoep lekker vinden, maar dat we er wat uit mogen halen, als de soep niet smaakt. Wij doen onmiddellijk wat in het bakje. Wat smaakt die snert heerlijk, zeker onder de prachtige verhalen die Herr Fischer, zo blijkt hij te heten, ons vertelt.

Hij heeft eens gekookt voor Koningin Juliana; daarvoor is hij extra bedankt met een handdruk van haar. Als ik hem vertel dat ik in 1975 van Hare Majesteit ook een handdruk gehad heb als dank voor de spontane toespraak die ik tot haar richtte, zie ik pretlichtjes in zijn ogen. Hij vertelt ons ook dat zijn schoondochter, een Nederlandse van geboorte, de hoogstgeplaatste Hollandse ter wereld is, hoger geplaatst dan Koningin Beatrix. We doen heel ongelovig, laten voorkomen dat we hem ernstig nemen. "Meine Schwiegertochter is Gipfelwart". Dat zegt hij heel ernstig. Zijn zoon en schoondochter blijken 'topwacht' te zijn op een van de bergen in Zwitserland. We lachen om zijn leuke grap. Inmiddels hebben wij de 'Hollandse' snert op. We gaan weer, maar pas na een tweede bord soep. We moeten daar met z'n drieën wel heel gezellig hebben zitten praten, want binnenkomende bezoekers lijken het heel huiselijk te vinden; ze kijken niet vreemd.

Terwijl we verder lopen, laten de woorden 'schmalzig' of 'vet' en het Nedersaksische 'smalt' of 'smolt' voor gesmolten vet en reuzel me niet los. En ook het woord 'snert' niet. Die soep was immers smaltig en snartig, vet en lekker. In onze dialecten spreken we ook nooit van 'snert', dat is Nederlands, maar van 'snart' ofwel 'lekkere soep'. Laat de woordgeschiedenis dat maar eens nagaan. Snert is mij te snartig om dat verder uit te zoeken. Smolt, smalt, komt oorspronkelijk van smelten. Ik weet dat dit woord in het Oudsaksisch voorkomt: smeltan. In het Oudengels luidt het 'meltan'. In het Latijn bestaat 'mollis' in de betekenis van 'zacht'. Dat 'mollis' is natuurlijk de oorsprong van 'mollig'. En dan zijn we taalkundig terug bij het varken en zijn molligheid en zijn gesmolten vet. 'Smalt' is hetzelfde als smolt, tenminste in het Plat. Het Nederlandse 'smalt', in de 17-de eeuw in onze taal opgenomen, is 'kobaltglas'. Dat heeft ook alles met smelten te maken, maar verwerk het niet in de snert. Herr Fischer had dat gelukkig niet in zijn spekjes verwerkt; ik zou het zeker geroken hebben en geld uit zijn bakje gehaald hebben in plaats van er iets in te doen.

Er zijn trouwens streken waar men pas van 'smolt' spreekt, als het vet eerst gesmolten is en daarna weer gestold. Dat lijkt me heel logisch, want het vet smolt door de warmte, de verhitting, maar het koelde daarna vrij snel weer af.

Al wandelend zijn wij inmiddels in een andere streek van Zwitserland bij een houtzagerij gekomen. We rusten wat op een bank met het zicht op het waterrad van de houtzaagmolen. We pakken een plak Zwitserse chocola uit de rugzak. Net op tijd, zie en voel ik. Het begint door de warmte smolt te worden.