Smettewègens

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Vroeger heb ik veel aan sport gedaan. Op de H.B.S. moest geturnd worden, we speelden er buiten kastie, hockey, handbal en voetbal. We deden aan atletiek, toen nog met een 'haa', en ik deed altijd met plezier mee. Zo leerde ik goed bovenhands gooien, werpen of smijten, hoe men dat ook noemen wil. Dat alles kwam me goed van pas, als we aan de IJssel speelden bij de lage loswal. Hockey noemden we daar voetbal met een stokkie. Dat 'stöksken' sneden we van de bomen die er voldoende langs het water groeiden. Voetballen deden we in die tijd, de oorlogsjaren, met een opgeblazen varkensblaas, waar we heerlijk mee aan 't döppen' gingen. Bij hoogwater gingen we proberen stenen zo ver mogelijk de rivier in te werpen; je kon dan goed zien waar de kei, zo groot als een kastieballetje, in het water plonsde. Bij 'leegwater' was het juist de kunst zo ver te gooien dat je geen kringen in het water zag, want dat had je de steen over 'Niessel' gesmeten, of zoals een jongen uit Lichtenvoorde zei, 'oaver d'Iessel esmettene'. Daar van de vijf jongens en meisjes er meestal maar een of twee waren die ' 'n oaverkante haalden', hoefde je niet vaak te ruziën 'wee of ter ewonnen had'. Bij laagwater was de rivier zo'n veertig meter breed, soms nog minder. Hoe ver gooit een kind een steen of een bal? Ik denk dat geoefende gooiers, al naar gelang leeftijd en aanleg, tussen de dertig en zeventig meter ver werpen of 'smiet' of 'smieten'. Ongeoefende werpers halen de dertig meter meestal niet eens. Nu, op mijn zeventigste, haal ik die afstand ook niet. Mijn steen komt niet ver 'weg'; hij gaat maar een klein eindje zijns 'weges', 'ziens weggens', 'ziens wègens'.

Smieten: ik smiete - iej smiet - zee/hee smit - wieluu smiet (smieten) - iejluu smiet - zeeluu smiet (smieten). Dat is tegenwoordige tijd van smijten in het Nedersaksisch. De verleden tijd van smieten: ik smete (smette) - iej smeten (smetten) - hee smeet (smet) - wie smeten (smetten) - iejluu smeten (smetten) - zee smeten (smetten).

Hoe kom ik erbij hier over te schrijven? In Zutphen liep ik. Ik zag een jongen steentjes gooien. En plotseling zat ik weer bij mijn tante in de kamer. Ik logeerde daar. Daar kwam die man, ik meen dat hij in Lievelde woonde, met mijn oom de kamer in om koffie te drinken. Die man was bezig mijn oom sterke verhalen te vertellen. Hij had het over de veldwachter, die hem achter de broek zat, want hij had met wat kornuiten een heg in brand gestoken. "Wie skoaten de spoordiek of en laggen al gauw achter de buskes. Dinges ... , dee veldwachter liep boaven op de diek, smettewègens van ons of; wie hiel'n onze oasem in. Toe' gink hee mar weer. Eerst skreeuw'n e nog: "Ik heb jullie wel gezien; ik zal wel naar jullie huis gaan"." Dat woord 'smettewègens' begreep ik helemaal niet, toen. Nu wel. Smettewègens, zo ver 'weg' als men 'smeet' of 'smet'. In het Nederlands kan men smettewègens het beste vertalen met 'op een steenworp afstands'.

De man kon trouwens leuk 'nölen'. Hij vertelde dat de veldwachter inderdaad bij zijn ouders thuis geweest was. Hij hield van een borreltje. Onder het genot daarvan had zijn vader, van de verteller dus, alles prettig geregeld. Hij lag toen al in bed. Door het dakraampje had hij gezien hoe 'Vaa' den keerl op de fietse hielp. Slingerend in slalom reed de koddebeier weg. Natuurlijk had de man niets aan zijn ouders over de brandstichting en de achtervolging verteld. Geen wonder dat hij zijn vader hoorde roepen: "'k zal dat rotjonk is èven goed afdreugen!". Hij wist wat dat betekende: "Hee sloeg mien op de konte met 'n end holt". Die norm hield zijn vader an, en dat had waarde!