Slufkes

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Goede dialectvrienden heb ik veel, denk ik, als ik G. aan de overkant van de straat zie gaan. Hij is geboren achter 'den poal', in de Nederduitse streek waar de mensen nog gewoon plat met elkaar spreken. Ik praat trouwens meestal Nederlands met hem, want ik ontmoet hem enkel maar op de club waar wijbeiden lid van zijn en daar is de omgangstaal Nederlands.

G. heeft me onlangs nog aan een mooi woord geholpen. Hij vroeg me of ik wist wat een 'tuffelhok' was. Dat me dat nu te binnen schiet, terwijl hij aan de andere kant van de straat loopt. Misschien omdat hij op schoenen loopt die een beetje op pantoffels lijken. En toen hij "tuffelhok" zei, dacht ik dat hij met 'tuffel' pantoffel bedoelde. Maar van een pantoffelhok had ik nooit gehoord. Ik zei hem dat ook. Hij lachte. "Nee, tuffels of toffels zijn bij ons aan de grens kartoffels of aardappels." Nu lachte ik. "O ja, ik weet het."

Op dat moment gaat G. de hoek om en hij verdwijnt uit mijn gezicht. Ik slof terug richting huis. Met mijn pijnlijke rug kan ik nog niet flink erover stappen.

Toffels, verkorting van pantoffels en kartoffels. Kartoffels, Twents, in het Hoogduits Toffel en Kartoffel. Het moet aan het Italiaanse 'Taratopholi' ontleend zijn, naar het voorbeeld van 'tartufo', truffel, door de gelijke vorm. Wie het beter weet, mag het zeggen!

Pantoffel. In het Frans zegt men 'pantoufle'. In het Latijn bestaat 'pantofola'. Dat is weer afgeleid van twee woorden die samen 'voor ieder geschikt' betekenen. Nou, dat kan voor pantoffels best gelden. Mijn vader noemde zijn platte en ruime pantoffels 'sloffen' of 'slufkes'. Dat laatste zei hij, als hij een goede bui had. En dat was vaak het geval: "Geitman", dat was ik, "haal iej mien is èèvn de slufkes uut de keuk'n".

Ik zie voor me dat hij aan tafel gaat zitten en zich het warme eten lekker laat smaken. Na de maaltijd zie ik hem zijn luiestoel bij de haard schuiven. Hij pakt zijn koperen tabakspot en stopt een stevige pijp. En dan hoor ik hem ineens hardop zeggen: "Döör zal een piepe tabak lekker op smaak'n!"

Ik schrik ervan. Verrast kijk ik om me heen. Voor mijn voordeur sta ik. Ik ben sneller naar huis gesloft dan ik gedacht had.

Ik open de deur. Sloffen is feitelijk een mooie klanknabootsing. We hebben er een tussenwerpsel aan te danken, dat de slepende gang en het schuifelende geluid ervan uitstekend weergeeft: Slof _, slof _, slof _, daar kwam ze aan. We zien haar schuiven, zelfs de houding zie ik voor me. Ik kan me voorstellen dat een dichter het een beeldend tussenwerpsel vindt. Zo'n dichter was een oude leermeester van mij. Was, want hij leeft niet meer. Zijn naam was Jan Rispens. Hij was een groot dichter volgens mij. Voor mij was hij Mijnheer! Hij sprak het woord tegen mij uit op die avond in vijfenveertig, toen ik hem en zijn gezin een brood kwam brengen. Ik belde. Voeten sloften door de gang. De deur ging open. Daar stond hij op zijn slufkes. In de gang was het stikkedonker. Hij ging mij voor naar de woonkamer. "Slof, slof, slof, in het donker tasten wij naar het licht _ ". Zulke woorden vergeet ik niet! Misschien zei hij het beeldende wat anders. Wat doet het ertoe? In ieder geval benoemde hij 'slof' beeldend!

Ik slof naar de kamer. "Je moet niet zo sloffen", zegt mijn vrouw. "Hoe is het nu met je rug?" "Al weer iets beter; ik kan noe op mien slufkes al twee rundjes lopen!"

Dan ga ik naar boven. Ik vergeet te zeggen dat ik G. gezien heb, maar dat realiseer ik me pas, als ik boven ben. En ik heb geen zin weer af te dalen. Ik kijk op mijn bureau wat ik allemaal doen moet.

"Ik zee 't al; vandage kan ik 't op mien slufkes of", zeg ik.