Slomp

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Als ik op mijn werkkamer bezig ben, gaat de telefoon. Ik hoor dat mijn vrouw de hoorn opneemt. Even later rinkelt bij mij boven het toestel twee maal. Ik grijp de hoorn meteen. Mijn vrouws stem: "We hebben bezoek. Kom je?" De storing in mijn bezigheden komt erg gelegen. Ik kom namelijk niet verder met een idee over de vorm van een artikeltje. Mijn jongste broer zou in zo'n geval zeggen: "Jouw werk valt ook onder de wet van behoud van ellende, want als een inval niet erg deugt, loopt daarna alles tegen". Hij heeft gelijk. Maar het tegendeel is ook waar. In zijn proefschrift, de titel is me even ontschoten, poneert hij een stelling, waarin staat dat bij een goed idee alles meezit. En daar ben ik het roerend mee eens. Dus, idee wegvagen uit mijn brein en trap af naar het bezoek. Misschien komt er dan een nieuw invalletje voor mijn laatste stukje in 1996.

En inderdaad, met het bezoek komt ook het vonkje binnenvallen dat mijn vuurwerk doet ontbranden. Onze visite, bijna familie van ons door onze uitstekende relatie, beginnen over mijn krantenrubriekje. Hij: "Vanaf de honderdste aflevering heb ik jouw knipseltjes allemaal genummerd. Met die van deze week ben ik al op honderd en vijfenveertig". "Dat klopt, ik ben nu met de honderd en vijftigste bezig, die komt op de laatste maandag van dit jaar in de krant". "Dan hol iej der zeker mee op", zegt hij. En zij: "Hoe kom je toch iedere keer op het idee?" Ondertussen denk ik, dat het al aardig mee begint te zitten. "Heb iej feitelijk 'slompe' al is behandeld?" vraagt hij. Kijk, daar is plotseling het artikel, met vorm en al. "Nee", zeg ik, maar ik hoor de mensen langs de IJssel meteen zeggen: "Wat geet der weer een slompe deur Niessel, as-o'j (alsof je) een emmer löög gooit". Terwijl het gesprek doorgaat en ik zeg: "Ik holle der pas mee op, a'k gin zin meer hebbe", vindt de uitwerking van 'slompe' plaats in mijn bovenkamer.

Zwemmen - zwom - gezwommen heeft alles met die slompe door de IJssel te maken. Slempen - slomp - geslompen nog veel meer. Overdadig drinken heeft al menigeen gesloopt. Ja, slempen sloopt de mens en de aarde. Als de dijken doorbreken en de slompe komt over de landerijen, en de huizen komen onder water, dan schaadt de overdaad enorm. Zelfs de klei wordt modder of slemp. En bij de bestrijding van de wateroverlast worden heel wat ketels koffie of slemp aangevoerd om de strijders op de been te houden.

Misschien wordt mijn artikelenreeks langzamerhand ook een slompe, maar dan naar ik hoop, een leven-scheppende slompe, en niet een levens-dodende. Ik denk aan Moeder, ondertussen met Jan en zijn vrouw over ernstige dingen van de dood pratend. Zij is er immers al jaren niet meer, maar ik hoor haar nog zeggen: "Jonge, wat hebt iejluu toch een slomp boken in de kaste stoan. Hei'j dee allemoale elèzen". "Nee, Moder, en een heleboel wil ik der egeeneet lèzen!" 'Slomp' zonder -e zei zij heel juist, want een slompe is in mijn dialect een geweldige hoeveelheid water, maar een slomp is een massa. Een goede buurman van ons komt uit Doesburg. Heel grappig zei hij op een avond tegen mij, toen we gezellig over Taal zaten te praten. "Slompe is Doesburgs en gin Dèventers. De Dèventersen hebt het van ons egapt". "Hoe zo?" vroeg ik. "Nou, de Iessel kump eerst langes Doesburg en dan pas langes Dèventer." Ik denk dat hij niet besefte, dat het met Taal op een dergelijke wijze de hele geschiedenis door zo gegaan is. Daarom antwoordde ik: "Dick, iej konden wel-is gelieke hebben", en we lachten beide.

Slomp en slompe komen volgens mij dus van slempen, een heel oud, ook Saksisch, woord. En terwijl het bezoek opstapt, is mijn column klaar. Ik hoop er nog een hele slomp te schrijven.