Slobberdierke

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Het was in 1936. Het zal in mei geweest zijn. Mijn zusje was in februari van dat jaar geboren. Zij was mijn eerste zusje. Ik was bijna negen, een leeftijd om er volop van te genieten. Het was in de tijd dat Moeder nog Nederlands tegen ons, mijn broers en mij, sprak. Zij viel niet vaak uit haar rol. Des te beter bleven de echt dialectische woorden die zij zei, bij mij hangen.

Zij voedde de baby zelf. Dat heette toen ook al 'borstvoeding geven'. "Ik geve mien kind de titte" was niet zoo netjes uitgedrukt als "Ik geve mien kind de borste". Moeder maakte er een hele ceremonie van. Ik zie het nog voor me. Het is niet te beschrijven hoe mooi!

In die meimaand een keer. Genietend zat ze in het meizonnetje, met de rug naar het raam op haar slobberende baby te kijken, die met grote teugen klokkend de moedermelk naar binnen zoog. Moeders ogen glinsterden. Zag ik traanschittering van blijdschap? Ik was ook geroerd, maar zou ik dat kunnen bedwingen? Op het borstje van mijn zusje gedrukt en tegen moeders borst onder de tepel lag een grote slab, die wij als jongens in het Deventers een 'slabbe' of een 'slebbeken' noemden. Die slab was om op te vangen wat er langs ging, want wie slobbert, begint weleens achter adem te komen, en dan wordt er al drinkend wat teruggegeven. Dat gebeurde nu ook. Moeder haalde lachend de baby van de borst en liet mijn zusje eerst maar eens wat boeren tegen haar schouder. Als er een heel dikke boer kwam, zei ze steevast: "Geef dee boer een stool". En dat zei zij altijd in haar dialect. Dat was mooi, want daardoor leerde ik al jong wat homoniemen waren - woorden met gelijke klank en verschillende betekenis - , ook al kende ik het woord 'homoniem' nog niet. Daarna ging zij vrolijk verder. Haar baby, mijn zusje, slobberde en slurpte zelfs hoorbaar. Al die tijd bleef ik kijken. Toen Moeder klaar was, en mijn zusje voldaan aan de borst in slaap was gesukkeld, gaf Moeder haar voorzichtig een kusje op het voorhoofd. "Ik zal haar maar geen harde smok geven, want dan wordt ze wakker". Dan stond ze op, legde de 'kleinen' in haar bedje, en zei lief tegen het schone slaapstertje: "Slobberdierken!" Ik begreep het woord meteen, zag een veulentje drinken bij zijn moeder, een kalfje drinken uit een emmer, een varken slurpen van zijn slobber, want Moeder had mij duidelijk gemaakt door haar 'Slobberdierken', wat slobberen was; en dat niet alleen. De gevoelswaarde van 'dierken' was me in één klap duidelijk. Later begreep ik pas de werkelijke verwantschap tussen 'slabbe' en 'slobber'; ik leerde dat het een ablautende verwantschap was. Maar dat kon en kan me niet schelen.

Wel was ik benieuwd of slobberen nou een typisch Nedersaksisch woord was of niet. En ik vond: slobbe (vaatdoek), slobber (vloeibaar voer voor dieren; ook koffie), slobberen - ablautend bij slabben - (drinken of eten op hoorbare wijze als bij de dieren). In het Engels vinden we 'to slobber' en 'to slubber', in het Fries 'slobberje', in het Deens 'slubre', in het Zweeds 'slubbra' en in het Duits 'schlappen' en 'schlabbern'. Mijn voorzichtige conclusie is dat 'slobberen' best mede een Nedersaksisch woord kan zijn. "Een slobberdierken", zei mijn Moeder, "is een kalfje bijvoorbeeld".

Later leerde ik van haar ook nog het woord 'soppen'. Dat gebruikte ze voor de grote kinderen, als die aan tafel zaten te knoeien met het eten: "Zit niet zo met je eten te soppen." 'Soppe' is volgens het 'Woordenboek van het Deventer Dialect' ook het natte voedsel dat aan varkens en kalveren gegeven wordt. En zo naderen 'soppen' en 'slobberen' elkaar in betekenis.