Skons

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Bunzings opereren graag in het stikdonker. Ze hebben weinig licht nodig om hun praktijken uit te oefenen, en die kunnen geen daglicht verdragen. Enkel hun stank verraadt hun 'smeerlapperij'. Zo kan voor een volwassene 'bunzing' genoemd te worden een hele vernedering inhouden. Je bent immers als stinkende smeerlap aangeduid, die in het duister zijn gore werkzaamheden verricht. Als kind ken je de ware betekenis van scheldwoorden als 'bunzing' of 'ulk' niet.

In 1939 waren zijn beide oudere broers al op de ULO. Joop was met zijn laatste jaar op de lagere school begonnen. Het was eind oktober. Zijn broers waren met hun huiswerk bezig. Dat was in de woonkamer; daar zat hij van papier boten te vouwen om op het zeil mee te spelen. Ik speelde mee. Ineens stond een van zijn broers op en vroeg: "Wie stinkt er hier zo?" En tegen Joop: "Smerige skons". Toen rook ik het ook. Iemand moest een wind gelaten hebben. Maar ik was het niet geweest. We keken elkaar wantrouwend aan, alle vier. Had er hier iemand iets op andermans rekening gedaan ... ? We zullen het nooit weten. Dat me dit nu na zestig jaar te binnen moet schieten!? Ik vraag me trouwens nog steeds af, waar Joops broer 'skons' of 'schons' vandaan had? Had hij het soms met Frans al gehad? Dat heb ik me afgevraagd toen ikzelf naar de HBS ging en van mijnheer Buis voortreffelijk Frans kreeg, want ik leerde mogelijk van hem dat een 'sconse' een bunzing is. Pas nu weet ik dat het de 'skunk' of Amerikaanse bunzing is. Ook weet ik sinds kort dat de 'skink' de Afrikaanse stinkhagedis is. Skunk en skink moeten beide wel van het Latijnse 'scincus' komen, waar dan natuurlijk eveneens het Franse sconse of sconce vanaf stamt.

Ik heb er zestig jaar over gedaan om dit allemaal op een rijtje te krijgen. Het is duidelijk dat ik van de uitroep 'smerige schons' dan ook weinig begreep. Ik wist alleen dat een 'sconse' stonk. Dat is een hele troost voor jonge plattologen. Die vragen mij iedere keer waar ik toch al die wetenschap over Nedersaksische woorden vandaan heb. En als ik antwoord "In het land der blinden is Eenoog koning, maar zijn bijnaam is Openoog!", kijken ze mij ongelovig aan. Maar het is waar. Er zijn immers niet veel mensen, die nog belangstelling hebben voor talen en hun verleden. Taalvergelijking willen de meesten niet. Dialectologen zijn dun gezaaid. De in hun vak gegroeiden zijn op de vingers van twee handen te tellen. Zij zijn niet zo jong meer. Het is logisch dat zij hun kennis graag doorgeven.

Zo leerde ik bij mijn studie Middelnederlands nog een inhoud van 'sconse' kennen. Mijn 'Van Dam' geeft nog steeds als betekenis van 'sconse' dievenlantaarntje, een lampje dat naar ene kant licht uitstraalt. Dat licht kan afgeschermd worden door een kapje. Ja, wat gedaan wordt met een sconse in de hand, kan het daglicht niet verdragen. Schons in de betekenis van bunzing komt in dat Middelnederlandse woordenboek niet voor.

Er zijn dialectwoordenboeken die 'schons' spellen. Daar de uitspraak heel duidelijk 'skons' is, geef ik de voorkeur aan de spelling met k. In 1939 heeft de broer van Joop vast niet geweten wat de totale inhoud van 'skons' was, anders had hij hem vast geen dief, smeerlap, stinkerd, rover of een vuile, gemene, stinkende inbreker genoemd. Reden te meer voor ons, mensen, ons het gewicht af te vragen van de negatieve termen die wij op de weegschaal van het oordeel werpen! Vrouwe Justitia weegt immers met ogen als sconses, lantaarntjes afgedekt door een kapje. Zij tast dus volledig in het duister.