Schroa

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Scheren doe ik me nog nat; daarom heb ik altijd een spiegel nodig. Als ik mijn grijze kop, ik hoop tenminste dat ik geen hoofd heb, in het glas zie, beginnen mijn gedachten bij te kleuren als mijn gezicht: ze worden steeds witter. Dat komt misschien doordat ik mijn aandacht bij het schrapen moet houden, en dat is eenvoudig; ik kan dus aan andere zaken denken.

Schrapen en scheren, in beide zit de stam schra; die komt ook voor in schraal, bedenk ik. Dan schrik ik, want ik denk plotseling aan mevrouw Hiddink uit Terwolde. Ik heb haar nog wel zo beloofd dat ik mijn bevindingen over het woord 'schelhas'in een stukje zou neerleggen. Wat is het verband tussen schraal, schroal, schroa en schelhas, schelhäs, schelhärs, in het Nederlands schelharst? Het is de magerte, de 'zuinigheid'. In het vakjargon van de kwaliteitsslager tenminste, want door hem wordt in het Sallandse Diepenveen schelharst nog klaar gemaakt, nu als lekkernij. "Hoe ik dat weet, mevrouw Hiddink", zeg ik hardop. "Ik heb het hem gevraagd!" Maar ik kan nu niet hardop mijn gedachten ordenen; dat laat wit scheren niet toe. "Gert", heb ik tegen de slager gezegd, "iej mot mien is vertellen of iej het woord schelhärst nog gebruukt". Antwoord: "Wie verkoopt het nog. Za'k het meneer Kuijk is loaten zeen?" En even later stond hij achter de 'teunebanke' met glazen 'inkiekkaste' met 'een riege magere ribbekes' tussen duim en wijsvinger. De schelharst schommelde zacht heen en weer. Het water liep me in de mond. "Oh, dat is dan zeker zoiets as dikke ribben", zei ik dom. De slager moest lachen. Hij vertelde me dat deze ribbetjes, een stukje van het geraamte van een varken, niet dik en vet, maar 'schroa' en mager waren. "As meneer 'spare-ribs' et, dan et hee dit!" En hij zei er nog bij: "Dit was vrogger armeluu's èèt'n", met een vinger op de lippen van 'niet verder vertellen'. Dat laatste heb ik trouwens enkele maanden geleden al van mevrouw Hiddink gehoord.

Wat was 'harst' ook al weer? Een homp vlees in het algemeen, vond ik bij navraag in Salland en de Achterhoek. Het kan van ieder slachtdier zijn, werd erbij gezegd. 'Hersten', Oudsaksisch 'harsta', is roosteren en toestel om te roosteren. Vandaar dat in veel streken een 'harst' een stuk geroosterd vlees is. Schelharst is in veel steden en dorpen ook 'ribstuk', volgens mijn tante uit Zutphen, in oktober 1997 honderd jaar geworden, kocht zij vroeger schelharst "en dat was ribstuk". De botten of de 'schelle' hoefden er niet meer aan te zitten. Op de Oost-Veluwe is dat anders, meen ik. Staat in het Eper woordenboek niet, dat schelhas ribstuk, vlees met been is? Dat moet ik na het scheren toch eens even nakijken.

In Salland is een 'hasje spek' een stukje gerookt spek. Daar zit het 'vuur' toch ook in! Wie vroeger als keuterboer een 'schroa' bestaan had, had het 'mager'. De geschiedenis van schraal is vol van die magerte. De mens is er dikwijls schriel van, om maar eens een Friese term te gebruiken. In het Middelnederlands ben ik 'schra' tegengekomen. Het Oudnoors kent 'skra'. Ik denk dat het laatste als 'skroa' uitgesproken wordt. Daar zit dan weer de verwantschap met het Twents. Wel aardig trouwens dat schelhas voor 'arme luu' was, ik bedoel die schelhas die de slager ook wel 'hutspot' noemt, niet te verwarren met de 'oranje-boven-stamppot', en dat 'spare-ribs' een 'beter soort eten' geworden is! Het kan verkeren.

Zo, het scheren is gebeurd. Nu verder aankleden en het 'Woordenboek van het dialekt van Epe' raadplegen. Je kunt niet weten. Ik kijk nog eens in de spiegel. Gelukkig ben ik in mijn gelaat niet zo schroa, dat ik 'mien gezichte tussen de hoorns van de sikke tegen zien kop kan douwen'.