Schriefs

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Een heel goede schrijfvriend van mij is Gezienus. Alles wat hij waarneemt op welke wijze dan ook, weet hij in zijn Plat zo te verwoorden dat je hem onmiddellijk herkent als een geboren dialectschrijver. Bovendien is zijn spelling van het Nedersaksisch zo beeldend, dat ook een Nederlander zijn teksten gemakkelijk lezen kan. Hier volgt een duidelijk voorbeeld uit zijn verhaal 'Oh, mo'j dat noe is zeen.....!'

'Proats a'k binne, he'k 't volgende tegen 'm ezegd. "Meneer de veurzitter, hoe häd iej oe dat edacht te doon?"'

De totale woordbeelden zijn voor iedere lezer duidelijk. Het hapt allemaal heel lekker weg. En het aardige is ook dat Gezienus woorden die de lezer mis zou kunnen verstaan, verduidelijkt. Neem nou het woord 'proats', letterlijk vertaald 'praats'. Hij heeft namelijk eerst verteld hoe leuk hij het vinden zou eens voor een winkeliersvereniging als Sinterklaas op te treden: 'Mo'j is bie oezelluf indenken, ikke as sunterkloas verkleed, zwaaie nöör al dee kindjes op 't plein, strooi pèpernötten en van dee echte tum-tum ...'. Maar toen hij vernam dat hij op een paard moest, kreeg hij het Spaans benauwd. En dan komt dat zinnetje met 'proats'. De lezer weet op dat moment niet alleen dat Gezienus goed van de tongriem gesneden is, maar tevens dat hij zich uit een moeilijk parket weet te kletsen. Iemand die proats is, is niet enkel geneigd tot nölen. Hij wauwelt niet. Hij gebruikt argumenten.

Er zijn meer van die stammen van werkwoorden, die door toevoeging van die toch wel Saksische -s, een extra afmeting krijgen. Ik denk aan 'sleets'. Ik zie nog dat kleed op de vloer liggen. Ik zie die vrouw, een tante geloof ik, binnenkomen. Zij keek als altijd de kamer rond, inspecterend. Ze zag dat kleine slijtplekje op de vloer en ik hoor haar nog zeggen: "Dat vloerkleed is versleet'n, Iej mot is wat niejs koop'n, gin gezichte". "Neen, Anne, 't is ook gin gezichte, 't is een vloerkleed, möör 't is enkeld wat sleets", zie ik mijn moeder weer lachend zeggen. Het begint langzamerhand te slijten is sleets zijn. Gezienus zou dat in zijn verhalen ook zo gebruiken. Hij heeft een Nedersaksische taalopvoeding meegekregen. Het is zijn taaleigen.

Gezienus zou ik 'schriefs' willen noemen, niet 'schrijfs', want dat heb ik nooit horen gebruiken, en het slaat op Nederlands taaleigen. Nee, Gezienus is geneigd in zijn dialect te schrijven en wel zo, dat het karakter van dat dialect zo goed mogelijk behouden blijft. Zijn lezers en hoorders genieten enorm van zijn taal. De inhoud van zijn verhalen is onlosmakelijk verbonden met zijn taal. Dat hebben meer dialectschrijvers. Dat vind ik de goede schrijvers. Zelf heb ik dat niet zo. Ik heb me te veel met het Nederlands bezig gehouden. Ik noem dat een beetje 'kruusschriefs' zijn. De ene taal kruist voortdurend de andere. Je werk krijgt dan iets vertaalds. Niet dat ik daarmee zit. Integendeel, het doet me bij ieder dialect-verhaal dat ik samenstel, weer beseffen dat ik taal, vorm en inhoud tot een eenheid smeden moet.

Kruusschriefs ben ik niet, als ik over dialect schrijf, zoals nu. De aanhalingen van geschreven stukjes, die niet aan mijn brein ontsproten zijn, hoef ik slechts naar mijn lezers te vertalen. Ik moet uitleggen, overzichtelijk maken, wat ingewikkeld lijkt. Daarvoor ben ik nu eenmaal schoolmeester. En zo zal ik door het leven blijven gaan. Fijn overigens dat er zoveel mensen zijn, die zo proats en schriefs door het leven gaan als Gezienus, zij zijn het zout in de pap, de slagroom op de koffie, de bessensap over de pudding. Laten we hopen dat zij niet sloaps worden, want aan wakkere schrijvers hebben we behoefte.