Schoften

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Ten noorden van het stadje lagen de weerden of uiterwaarden. De zeumerdiek, zomerdijk, scheidde de weerden van de rivier. Het plaatsje lag aan de rechter oever. De zomerdijk was aan de linker kant, de Zwolscheweg aan de rechter hand. Achterin de speeltuin, de spöltuin, keken de meisjes en jongens die vakantiemaand in de zomer naar de 'werkluu' van de 'Werkverschaffing', die hun dagelijkse gang naar het stempelbureau verruild hadden voor vele dagelijkse uren zeer zware arbeid, voor het veranderen van de zeumerdiek in een winterdiek, waarachter een nieuwe woonwiek, woonwijk, komen zou. Het werkvolk was nu bezig lorriebakken te vullen met grond om de aarde op te hogen tot de hoogte van de dijk. Veilig wonen daar kon later gegarandeerd worden. Er waren potige kerels bij, met koppen en schoften of schuften als stieren; hun schouders waren als het ware één geheel met hun poten. Het leken wel bollen, zoals fokstieren in die streek genoemd worden.

De veurwerker of voorwerker was een gemoedelijke kerel, die in de hitte van deze zomermaanden de schoften, of zoals ze in het Duits zeggen, de 'Schichten', wat korter maakte, en de tijd om te schaften, de etenstijd, wat langer. Dat had hij overlegd met de opzichter van de Rijkswaterstaat, die over deze negen hectare op te hogen weerd de hoogste zeggenschap had. Eén raad had hij de mannen echter gegeven: "Zet èven op een kärton an de deure da'j an het water zit, a'j döör goat zitten schaften, want van de gemeente komt ze kieken en de luu mot dan vroagen stellen können". Dat zouden de werkers doen.

Bij wat er toen gebeurde, zaten de speeltuin-kinderen op de eerste rang, al wisten zij niet precies waarover het nu eigenlijk ging, maar het werd een heel mooie voorstelling. De fluit van de katoenfabriek, daar vlakbij, blies twaalf uur. De arbeiders staken hun bats, hun spa, hun spitgreep in de grond en liepen naar hun werkkeet.Zij haalden hun middagstoete op. De voorwerker sloot de deur van de keet, schoof de grendel erop. "Iej meugt dee grundel wel good verzekeren met dat hangslot, anders kan jan-en-alleman derin", zei er een. En toen ze naar de rivier liepen een ander: "Hei'j de skoeve der wel goed op-edoane?" "Joa", riep een derde, "ik heb' ezeen dat hee de schoft derop deej". Even later zaten ze te schoften aan het water, in de schaduw van het oevergewas.

Daar kwam de gemeente-opzichter op de fiets, richting schaftkeet. Het was tien over een en hij constateerde dat het stil was op het karwei. Hij zette de fiets tegen de zijkant van de keet, liep naar de deur, zag de verzekerde grendel, las het karton. Een pijl erop wees naar de waterkant. Hij las de tekst: 'Wij zijn schoften!' met een uitroepteken. Rood liep hij aan. "Inderdaad, die kerels zijn schoften!!" riep hij zo hard, dat de kinderen in de speeltuin het horen konden. Toen ging hij beledigd op het trapje zitten.

Tien minuten later kwamen de mannen sloom aanlopen. "Jullie waren schoften, maar jullie zijn het ook!!" schreeuwde de gemeente-man. "Kom is, dan zulle wie oe is wat ofkeul'n", zei de grootste bolle. Hij slingerde de gifkikker met één handgebaar over zijn schoft aan de linker zijde. De driftkop schoffelde met armen en benen om zich aan de greep te ontworstelen. De kinderen lachten; ze renden de speeltuin uit om te zien wat er ging gebeuren. Het werd een optocht naar de glinsterende rivier. Daar dompelde de 'Bolle' de arme man drie maal onder; daarbij riep hij: "Ik doop' oe in de name van Opoe!" De kinderen gierden van de pret. Velen onthielden dit gezegde. De gemeente-man strompelde het water uit. Stil droop hij af. De kinderen zagen hem nooit weer.