Schap

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Eind jaren veertig heb ik een leraar Nederlands gehad, die blijkbaar niet wist wat een schap was. Hij kende enkel het achtervoegsel -schap. Dat bleek in een les over woordsamenstellingen en -afleidingen. Op het bord schreef hij -schap. "Maak daar eens een woord mee", zei hij. "Kelderschap", zei het meisje naast me onmiddellijk. Haar ouders hadden blijkbaar, net als de mijne, in hun huis een kelder met schabben of schappen, dat zijn draagplanken waarop allerlei zaken bewaard konden blijven, door ze er gewoon in een goede verpakking op te zetten. Die schappen waren in het waterrijke Oost-Nederland wel nodig, "want vake mot de dinger zoovölle meugelijk van de vloere bie het hoge water, iej hebt zoo een kladde water in de kelder stoan".

De leraar begon te lachen: "Hoe kom jij aan dat gekke woord, meisje?" Ze kreeg een vreselijke kleur. Ik kon zien dat ze wel onder de tafel wilde schieten van schaamte. Joost, die achter haar zat, een echte bolleboos in het dialect, hij was er in opgegroeid, schoot haar, hoewel brutaal, te hulp. "Dat woord is niet gek, maar wie het niet kent en om het gebruik ervan iemand uitlacht", zei hij. "Eruit", zei de te jonge pas afgestudeerde neerlandicus, "ik laat me niet beledigen!" "U beledigt zelf, U onderschat onze taalkennis!" schreeuwde Joost. Daarmee maakte hij het alleen maar erger. "Ik maakten het enkeld möör slimmer", moet hij later in geuren en kleuren verteld hebben.

Joost ging eruit. De directeur van de school was een Drent. Hij wist veel, ook dat een schap een plank was, om dingen op te zetten, ook dat een schoppe een schuur of een afdak was, waarin of waaronder je op schappen bijvoorbeeld allerlei 'gerei' (benodigdheden of 'gereed'-schap) of 'grei' bewaren kon. Hoe dat bleek? Joost kwam even later, nadat hij netjes op de deur geklopt had en het "binnen" had afgewacht, weer de klas in. "Of mijnheer even bij mijnheer wil komen", klonk zijn wat triomferende stem. Mijnheer ging, bleek wordend. Hij bleef wel tien minuten weg. Joost wist in die tijd ons niet veel te vertellen. De directeur had alleen tegen hem gezegd: "Wel een beetje brutaal , hè? Maar een kelderschap bestaat! Ga naar je klas en vraag netjes, netjes dus, of mijnheer even bij mij komen wil".

Toen mijnheer terug kwam, werd het muisstil. Hij had een dik boek bij zich. Het leek een woordenboek. Hij stapte naar Hennie, dat meisje dus, toe. Hij gaf haar zowaar een hand en zei eerlijk: "Mijn excuus, je had een heel goed woord met 'schap' Ik kende het niet, maar nu wel", en hij hield een dialectwoordenboek omhoog. "Er zijn twee 'schappen', het ene is een zelfstandig woord; het komt van het werkwoord scheppen en het is in Nedersaksische dialecten algemeen gebruikelijk als plank om iets op te scheppen of op te leggen. Dat heeft onze directeur me net verteld. In ons oude Saksisch is het 'skap' en zo spreek je het uit ook. Het woord 'schepel' is er familie van; dat is een inhoudsmaat. Dat komt, omdat een skap ook weleens een vat is of was. Als ik nu lieg, is dat per ongeluk, maar het lijkt me allemaal logisch. En nu dat andere -schap. Dat komt ook van scheppen, maar dan in de betekenis van creëren: scheppen - schiep - geschapen, jullie weten wel. Dat komt uit het Oudsaksische '-skepi'. In het Fries wordt nog '-skip' gezegd. Wie weet er nu een woord met dat -schap. "Blijdschap", zei Hennie. "Leraarschap", zei Joost. "Verwantschap, schrijverschap ...". De woorden kwamen los.

Van toen af ging het met die docent steeds beter. Wanneer hij iets niet 'kende', werd het opgezocht. De leraar zei dan leuk: "Dat heb ik even niet op het schap".