Sander

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Die twee jongens uit Zutphen van mijn leeftijd. Je zou zweren dat het zigeuners waren, zo mooi donker waren ze getint. Alle jongens bij ons in de buurt wilden met ze spelen. Ik ook. Ik mocht met hun mee "hen vissen". Ja, dialect spraken ze, net als wij. Aan de lage loswal, vlakbij een kribbe gingen we zitten. Als echte vakmannetjes keken ze naar de stroming; door het heldere water heen konden we de zanderige bodem zien. De oudste van de twee keek met zijn hand boven de ogen over het in de zon glinsterende water naar de volgende kribbe. "Hier zit der minstens ene", zei hij. Ik deed een bolletje deeg aan de angel, zij stukjes vis van wat wij een "esseling" noemden. Ze visten met "snookböör-oas". Ze hadden heel lange gärden of hengels, die ze op een strampe, een gaffelstok, die ze in de bodem ramden, lieten steunen. Met puin, dat daar genoeg langs de IJssel lag, zetten ze het uiteinde vast. Zo konden ze zelf wat gaan spelen, want de snoekbaars die in het aas happen zou, zou toch met het aas gaan lopen, en dat kon je aan de kurken op het water zien. Ik zocht ook maar wat stenen en zette eveneens mijn gärde vast. Toen gingen we kuntjen-blik spelen. Ronde platte stenen zochten we en we keilden ze het water laag over. Iedere stuit op het water werd geteld. Wie de meeste stuiters had, won de ronde. Zo speelden we heel wat rondjes, ondertussen onze dobbers in de gaten houdend. De tijd vloog voorbij. Toen de jongste "beet" riep, leek het of we net aan het water stonden. "Hee löp der mee vort!" riep de jongen. Hij pakte zijn gärde van de strampe, net op tijd, anders had de snoekbaars hem het water in getrokken. Toen begon het gevecht. Laten zwemmen, trekken en slepen, laten zwemmen, tegengas geven. Toen kwam de kop van het beest boven water. "Het is echt een sander!" riep de oudste vol vuur. Ik keek verwonderd; het was toch een snoekbaars. "'t Is een snookböörs!" schreeuwde ik. "Joa, dat zeg ik, een sander", kreeg ik ten antwoord. Op dat moment wist ik dat ze in Zutphen een snoekbaars 'sander' noemden. Ik kende toen een jongen die Sander heette, maar geen snoekbaars was; zijn naam was afgeleid van Alexander.

Het gevecht ging door. Met z'n tweeën hingen de jongens nu aan de hengel. Ze slaagden erin de kop van de sander voortdurend boven water te houden, waardoor diens krachten snel afnamen. Zo raakte hij steeds meer aan lager wal. Toen ... knapte het snoer. De als een boog gespannen gärde schoot recht. De jongens tuimelden achterover in het puin. De kurken schoten als snelle scheepjes over het water, de sander ging er vandoor. Even bleef het doodstil. Toen krabbelden mijn vriendjes scheldend overeind. "Wat een kreng, um ons zo te grazen te nemmen!" Ze keken over de rivier. De snoekbaars vond zichtbaar zijn weg. Als bakentjes gaven de kurken aan waar hij zich bevond. Gauw naar een van de roeibootjes die daar schommelden. Maar die lagen allemaal aan de ketting, met hangslot. De lol was er nu af. Teleurgesteld slenterden we naar huis.

Pas jaren later leerde ik dat sander van het Duitse Zander afgeleid is. Zander is een Slavisch woord. Er wordt wel gezegd dat sander met zand te maken heeft, want de snoekbaars zou een roofvis zijn die graag boven zanderige bodem leeft. Ik weet het niet. Ik heb het altijd als een Zutphens woord beschouwd, dat door twee donkere Zutphense jongetjes in mijn taalschat terechtgekomen is. Hoe het ook zij, we zullen nooit weten hoe groot die snoekbaars eigenlijk was, want hij werd niet door ons gevangen. Mocht iemand in Deventer aan de IJssel in september 1939 een snoekbaars hebben gevangen aan een snoer met een grote dobber en drie kurkjes, laat die mij dan even melden hoe groot die sander was.