Rotsen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

Een brief uit Aalten, van een goede vriendin. Even kijken wat zij schrijft. Een kattebelletje: 'Met hartelijke groeten'. En dan haar handtekening. In de omslag zit een stukje 'Wi-j Zekt Dat Zò' van Henk Harmsen. Even lezen _. .

Het gaat over een dialezing door hem gehouden in Brummen. Hij vertelde daar dat 'wieme' verwant is aan 'weme'. Bij wijze van volkshumor zou de bewaarplaats van worst en spek 'wieme' de naam hebben gekregen van 'pastorie'. De heer Van Bodegom uit Eerbeek wees hem erop dat G.W. Kuijk een heel andere verklaring gegeven had van 'wieme'. De heer Van Bodegom stuurde de heer Harmsen mijn stukje. In gedachten bedank ik hem daarvoor.

Natuurlijk is Henk Harmsen het niet met mij eens, lees ik. Hij is zo vrij zijn verhaal over de pastorie te blijven verkondigen. Eens even denken _ . Ik zal daar het volgende over schrijven: 'Ik vind dat heel verstandig, want onze benadering van 'wieme' is heel verschillend. De mijne is namelijk woordgeschiedkundig, etymologisch dus, die van Henk is volksgeschiedkundig, volksetymologisch, of zoals het volk denkt dat de geschiedenis is. Dat laatste gaat meestal gepaard met luisteren naar de klank. Wieme en weme worden in de meeste Nedersaksische dialecten hetzelfde uitgesproken. Zij zijn homoniem. Ze hebben beide de lange i die in 'eer' staat: wee-me. Dat geeft betekenisverwarring, vooral als die vermenging ook nog komisch is. De sprekers geven dus zulke woorden een eigentijdse aanvullende inhoud _ .'

Ik ben zowel mijnheer Van Bodegom als Henk Harmsen verplicht deze opvatting te geven , niet omdat wij beiden gelijk zouden hebben. Daar gaat het niet om, maar om te laten zien dat de groei en bloei van een taal niet enkel in de oorsprong der dingen ligt, maar zeker zoveel aan wat de sprekers, het volk, ermee doen, hoe wij taalgebruikers ermee omgaan. Misschien kan ik nog een voorbeeld geven . Laat ik eens kiezen voor 'rótsen' met de o van bok en 'ròtsen' met de o van hok. Door mijn ervaring weet ik dat rótsen een werkwoord is, plat, dat ratelen betekent. Daar zijn voorbeelden van te noemen.

Een tante van mij was naailerares. Haar neimesjientjen stond nooit stil. Het was een trapnaaimachine, die altijd ratelde tot in de late uren 's avonds. Mijn moeder zei weleens: "Dee deerne zit altied möör deur op de neimesjiene te rotsen!"

Toen ik mijn eerste fiets kreeg, een hele olden, hij 'rötelden' door een verroeste ketting, voegde mijn vader me toe: "En noe zit iej neet de hele dag op dat dink te rotsen! Iej denkt an oew huuswerk!"

Deze voorbeelden zal ik noteren. Ze maken namelijk nog iets duidelijk: dit 'rotsen' heeft ook met snelheid en draaien te maken!

'Ròtsen' zijn geweldige hompen steen. Ze liggen te land en te water. Laatst hoorde ik iemand zeggen: "Dee lawine rotsten mien toch van de rotsen!" Met een draaiende en rollende, snelle gang kwam de lawine de rotsen af. Voor die taalgebruiker en voor vele andere hebben rótsen en ròtsen alles met elkaar te maken.

Ik moet maar vermelden dat een beeld op schrift van beide woorden een ander verhaal vertelt. Ròts is verwant aan het Franse 'roche', Bretons 'roch'. Rótsen is familie van 'ruttelen' of 'pruttelen'. Het is klanknabootsend in onze eigen taal gevormd. Door de bijna volledige klankgelijkheid worden zij als twee-eenheid beschouwd. Dat is geen fout! Dat is de literaire waarheid. Dat moet ik mijn lezers vertellen _ . Ik zal er Renate Dorrestein bij noemen. Zij vond het als vijfjarig meisje, of was ze pas vier, geweldig dat in haar eerste leesboekje stond: An is moe. En moe is moe. Wat een woordspeling! Moe is Moe. De humor druipt er als kristallen af_ . En nu van de rotsen rotsen, asjeblieft niet. Opschrijven deze gedachten!