Roesterig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

Daar sta ik dan met de beide zitjes in mijn handen. Er lijkt niet veel goed meer van; ze zijn voor het laatst gebruikt zo'n dertig jaar geleden. Lucy was toen vijf jaar. Als zij voor op de fiets moest zitten, gebruikten wij het ene zitje; moest ze achterop bij Vader op de fiets, dan werd het andere gebruikt. Nu moeten beide gebruikt worden voor de kleinkinderen; voor Aaldert en Willemien van Anneke en Gerrit, of voor Vincent en Esther, ook al een tweeling, maar dan van Lucy. Ik zie dat het plankje van het voorop-stoeltje door de houtworm volledig verteerd is. Bovendien is het ijzeren frame rood verroest. Daar moet het een en ander aan gedaan worden, als Opa en Oma met hun kleinkinderen naar de speeltuin willen fietsen. Het achterop-stoeltje heeft wat minder schade opgelopen: geen houtworm en weinig verbrandings-verschijnselen aan het ijzer te zien. ''t Is wat roesterig', denk ik in het plat, 'ik moet dat maar een beetje blank schuren'. Ik begin met het laatste karweitje. Ondertussen zing ik een variatie op een liedje van Paul van Vliet: 'Lekker achterop bij Opa op de fiets; 't zitje is verroest, maar dat doet Opa niets ... '. Verroest, hoe komen we aan het roestige gedeelte in dat woord? Waar komt roest vandaan? Waarom zeg ik van geoxideerd aluminium niet dat het verroest is? Daarbij heeft toch ook langzame verbranding of vertering plaatsgevonden, zoals met het eten in mijn binnenste! Van uitwerpselen zeg ik ook niet dat het verroeste resten van de maaltijd zijn! Waarom spreek ik van 'kopergroen'? Waarom niet van 'koperroest'? Inmiddels ben ik klaar met schuren. De rossige kleur heeft het moeten afleggen tegen het schuurpapier. Het ijzer glimt nu enigszins blank. Wat dacht ik net? De 'rossige' kleur ... . Dan zie ik plotseling dat meisje voor me, die leerling van de kleuterkweek, met dat prachtige rossig glimmende kastanjebruine haar. En ik denk aan de rossige, verroest lijkende, beelden in dorpen en steden, die de moderne beeldhouwkunst voortbrengt. Ondertussen heb ik een plankje gevonden, om een nieuw voorzitje van te maken. Verroest, die korte zaag is ook al rood van de roest. En tegelijkertijd heb ik dat beeld van die draai om de oren van die aanstaande kleuterleidster, uitgedeeld aan die knaap, die riep: "Je haar verroest, daar mag je wel wat aan doen!"

Zo komt onder het werken de geschiedenis van 'roest' weer onder de 'roest' vandaan. Want natuurlijk heb ik het geweten. En het schiet me weer te binnen. Niet alle metaaluitslag kan ik roest noemen, enkel die een rossige kleur heeft. Het Oudsaksisch kent al 'rost', waarschijnlijk als naam van ijzeroer, dat in de oostelijke streken in aders in de grond voorkomt. Oer was roodachtig gekleurd. In het Litouws bestaat 'rudis', dat roest betekent, en dat tevens verwant is aan rood. Roest is eenvoudig genoemd naar zijn kleur, die in het Nedersaksisch nog met 'ros' aangeduid wordt. Roodachtig is in het Twents nog steeds 'rossig'. Zo, nu de zitjes afwerken. Zou ik dat wel doen? Dat totaal verroeste ding lijkt een gerestaureerd monumentje en die roesterige is bijna roestvrij! Weet je wat? Ik houd ermee op.

Een paar dagen later fiets ik met Emma achterop naar ''t Eikeltje', een speeltuin bij ons in de buurt. "Dit is wel een oud zitje, Opa, want de zwarte lak is er bijna af", zegt ze. "Heeft Pappa hier ook nog in gezeten?" "Nee", antwoord ik naar waarheid, "toen we dit zitje kochten, fietste Pappa zelf al". Of is dat niet zo? Verroest, ik weet het eigenlijk niet meer. 'Word ik zo roesterig in de kop, dat mijn herinnering begint te tanen?' Gelukkig weet ik nog, waardoor ik 'tanen' denk: tanen is 'bruinen', 'ontglanzen'. Bij mij treedt roest op. De glans gaat langzaam uit het denken.