Rieve

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

Mijn kleinkinderen beginnen erg op het doen en laten van hun opa te letten. Hij krijgt een complete heropvoeding. Opa kan nauwkeurig waarnemen welke opvoedkundige kreten door hun ouders op hen losgelaten worden. Opa geniet daarvan. Het stelt hem in de gelegenheid proeven te nemen, vooral op het gebied van het taalgebruik van zijn kleinkinderen. Opa smeert flink wat boter op zijn boterham. "Oh pappa, kijk 's, opa smeert veel te veel boter op zijn brood!" Een goede zin, duidelijk gearticuleerd, met alle zinsdelen eraan en woordaccenten erop. Nu giet hij door het gootje uit het hagelpak zijn bruine boterham egaal chocolade-kleurig. "Moet je toch 's zien, hij giet het hele pak leeg!" Die kleindochter van me heeft begrepen dat gieten en gootje bij elkaar horen. Natuurlijk is haar het verband niet helemaal duidelijk, maar wie is het dat eigenlijk wel? Niemand toch! Ondertussen heeft opa de neiging het meisje een lesje taalkunde te geven, maar hij doet dat niet. Hij vindt dat hij niet kan zeggen: "Opa was völs te rieve met de botter". En "Hee mot neet zon boel hagelslag oaver zien brootram rieven". Het kind moet dat niet 'gewild' opgedrongen krijgen. Kleinkinderen komen in hun streek zulke woorden wel op natuurlijke wijze tegen. Opa zou immers gedwongen zijn antwoord te gaan geven op vragen.

Eerste vraag: "Wat is dat, rieve?" Antwoord: "Rieve betekent verspillend, overvloedig, verkwistend, te veel. Rieven is raspen, wrieven of wrijven, met kracht ergens iets op strijken". Tweede vraag: "Gebruiken de mensen dat woord nog wel?" Opa zit nu al met de handen in het haar. Als hij zegt: "Je hoort toch dat je opa het gebruikt", liegt hij, want hij gebruikt dat woord nooit meer. Zegt hij: "Nee, maar het is aardig zulke woorden te kennen", dan komt meteen de vraag: "Waarom?" Opa zit met de mond vol tanden. Hij wil immers alleen maar zijn kennis 'verbreiden onder zijn leerlingen'. En zijn kleindochter is ... geen leerling van hem ... . Daar moet hijzelf eens goed over doordenken.

Hij zou moeten vertellen dat 'in snippers snijden' in sommige streken van de Achterhoek 'rieven' genoemd wordt. Ook zou hij zich verplicht voelen uit te leggen dat 'rieven' familie is van het Duitse 'reiben', het Saksisch 'wrieven' en het Nederlandse 'wrijven'. Hoe zou hij moeten uitleggen dat de -W- feitelijk een klinker is en wel een -UU- of een -OE-. De Engelsen noemen hem niet voor niets "dubbeljoe" of 'dubbel-uu'. Opa zou verhalen moeten vertellen over die Brabander, die Gerrit Willem uitsprak al "Jerrit Oewillem". Dat zou een les klankleer worden over de -W-, die op minstens twee manieren uitgesproken kan 'worden', met geronde lippen: "Oeworden", met de boventanden tegen de onderlip: "Worden". Met kinderen moet men geen wetenschap, oewetenschap, bedrijven.

En wat zou die lesgierige opa moeten doen met het Nederlandse 'wraak' naast het Duitse 'Rache', 'wringen' naast 'ringen' (Duits voor worstelen en wringen)? Over zulke verschijnselen, hoe interessant ook, valt immers geen redelijk woord te zeggen.

Ook over het Engelse 'to write' naast het Nederlandse 'rijten', wat scheuren betekent, valt weinig zinnigs te zeggen. Het meten van de verschillen betekent het weten van die verschillen. Meer niet.

"Opa is alweer völs te rieve ewest met al zien verhalen", zou hij na de 'les' moeten constateren. Nee, hij kan beter wachten tot de kleinkinderen vragen: "Opa, mogen wij jouw albums eens inkijken waarin jij altijd je stukjes uit de krant hebt bewaard?" Dan begint de wetenschap van de goede kant. De bron is er; die zich laven wil, kan drinken. Tegen mijn kleinkinderen zeg ik aan tafel: "Opa neemt veel, hij vindt het heel lekker!"