Potse

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

Een enkele keer kwam ik in mijn jeugd bij een vriendje of vriendinnetje in huis een hulp in de huishouding tegen. Soms waren dat meisjes, voor mij vrouwen, die uit Duitsland naar Nederland gekomen waren om in hun onderhoud te voorzien. Daar ik in die tijd nog niet naar de middelbare school ging, kon ik nauwelijks met zo'n meisje praten. Pas later leerde ik dat die meisjes in dienst genomen werden om te 'putzen', schoon te maken, het huis op te sieren, het vuile huishoudwerk te doen. Ze moesten 'poetsen' om het woord maar eens in het Nederlands te spellen.

Ik leerde het woord 'Putzfrau', werkster of werkvrouw, 'poetsvrouw' zou eigenlijk een germanisme zijn, is mij geleerd. Ik leerde tevens het Duitse 'Putz', in Oost-Nederland zouden we zeggen 'pots' met de ó van bok, zoals die ook nog in een 'pots', een grap, voorkomt. Putz is opschik, sieraad, toilet. Merkwaardig dat de betekenissen van woorden zo kunnen wisselen. In mijn dialect, Deventers, is 'potse' een persoon, vuilak, smeerlap, slons. Mijn oudere broers noemden in dat verband weleens een naam: Anne de Potse. Een van mijn broers noemde die naam een tijdje geleden nog eens, toen hij mij vroeg of ik over 'potse' al eens iets geschreven had.

De betekenis van 'potse' is merkwaardig maar verklaarbaar: Wie zich niet opschikt, niet schoonmaakt, niet wast, niet 'poetst' of 'potst', blijft een 'potse', iemand die zich nog 'reinigen' moet. Zo kan ik me dus voorstellen hoe Anne de Potse er uitgezien moet hebben: een lichamelijk ongewassen en ongekamde, in lompen geklede figuur. Over de geestelijke toestand van deze vrouw kan ik niets zeggen, want enkel haar uiterlijke verschijning doet mij daar een voorstelling van maken. Ik stel me haar wel voor met een versmeerde muts op, misschien een soort hoed, maar dat komt omdat ik bij 'potse' ook een andere associatie heb.

Naast een rare streek of een grap is een 'pots' of 'potse' ook een muts. Het is dan de verkorting van het Middelnederlandse 'kapoets'. In het Italiaans kennen we het als 'capuccio'. Dat is een kap. Hierbij denk ik aan het Franse 'capuchon'. En met mijn gedachten hier aangekomen, ben ik plotseling een beetje in de war. Ik herinner me plotseling nog een bijnaam voor een vrouw uit mijn geboortestad, hoewel ik me bij die naam helemaal niemand meer kan voorstellen: Anne met het Heudjen, Heudjen uitspreken als 'heu(r)tjen'.

"Kijk Gerrit", zeg ik nu tegen mijzelf, "zoek het nou maar uit! Is Anne de Potse dezelfde Anne als Anne met het Heudjen, hoedje, of niet!"

Ik vrees dat ik dat niet meer uit kan zoeken. Ik moet alles maar gewoon 'in de groep gooien' en ieder die ik op een of ander wijze 'tegenkom' vragen: "Heb iej Anne de Potse ekend? En wee was Anne met het Heudjen? Nee, neet wee Het Gepotlooide Heudjen was, dee ken ik, dat was een bekende baker, vroedvrouwe, veur mien olders en ons!" Het ene haalt zo het andere uit. Ik moet er maar niet verder over nadenken.

Ik krijg trouwens de indruk dat het geven van bijnamen steeds meer tot het verleden gaat behoren. In mijn adressenlijst van de e-mail wordt, als ik een nieuw contact wil noteren, altijd gevraagd: bijnaam. Ik heb nooit nog een bijnaam geweten. Toch maar eens mee beginnen: Naam - Anne; Bijnaam - De Potse of Met 't Heudjen of Gepotlooide Heudjen. Nu besef ik plotseling dat ik mensen niet beledigen moet, al is het grappig bedoeld.