Pistel

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

"Dat kan zo neet", zei de vader tegen zijn zoon, die hem net verteld had dat hij het halve geschiedenisboek voor de volgende dag overschrijven moest. Vader ging naar zijn werkkamer, trok de bureaula open, greep met een wild gebaar zijn blocnote, begon als een razende te pennen. Zoonlief las over zijn schouder mee: "Geachte Heer, Voor U is het misschien mogelijk om in één avond over de honderd bladzijden te schrijven, voor een jongen van dertien is dat een onmogelijkheid. Hij heeft zijn rust hard nodig in deze periode van groei en hij moet van mij en mijn vrouw op tijd naar bed. Verder vind ik het overschrijven van een boek bij het niet geleerd hebben van een les een onmogelijke straf. U kunt een leerling beter zijn les onder Uw toeziend oog laten leren, niet als straf, maar als les. Dan kunt U met recht zeggen dat U hem de les gelezen hebt. Mocht U met mijn opvatting geen genoegen nemen, dan verneem ik dat graag schriftelijk, in een met argumenten gestaafd verweer tegen mijn opvatting. Ik heb dan alle reden. om met Uw epistel in de hand mijn beklag over Uw optreden te doen bij de directie van Uw school. Hoogachtend, G. Verweer."

"Hier, nem disse breef mar met veur den keerl; dat zal 'm wa' leern". De vader had eerst de brief in een omslag gedaan, dat hij zorgvuldig dicht likte. De zoon ging zijn huiswerk leren en daarna buiten spelen. Hij had een verlicht gevoel. Vader voelde deze straf ook als een onrechtvaardigheid.

De jongen had als eerste les Algemene Geschiedenis. Hij voelde zich erg zenuwachtig, al had hij nu zijn les goed geleerd. De angst om het niet aanvaarden van vaders verweer was sterker dan de zekerheid van het gelijk. Meneer stapte op hem af. Zijn hand uitstekend zei hij kort: "Je strafwerk". De jongen stak hem de envelop toe met de woorden: "Hier, een pistel van m'n vader!" Hij riep het uit van angst. Meneer was kennelijk een vreemde in het Jeruzalem van het dialect, want hij was de enige die in lachen uitbarstte. Alle meisjes en jongens in dat kleine stadje spraken toen nog hun Plat. En een pistel was voor hen een ernstige brief, en een 'pisteltjen' bijvoorbeeld een receptje van de dokter, ook ernstig dus. Een pistel kreeg je van de belastingen of van ... een kwade vader.

Meneer opende lachend de pistel. Hij las hem. Hij begon steeds zuurder te kijken. Hij begreep dat het ernst was wat er stond. Aan zijn gezicht was niet waar te nemen dat hij begreep dat dit geen breefien was, maar een pistel. Meneer balde zijn vuisten. Hij liep terug naar voor de klas, riep: "Huiswerk overhoren! Verweer, kom hier!" De jongen kwam, bevrijd van zenuwen, de lach van de overwinnaar die zojuist een stad ingenomen heeft. Hij knalde uit het hoofd de bladzijde eruit die hij de vorige keer niet gekend had, en die van deze dag. Meneer was te verbluft om iets te zeggen. Zo hielp die pistel drie mensen, de vader, de zoon en Meneer. Maar de zoon het meest. Die leerde en leerde ... .

Hij leerde dat epistel afkomstig is van een Grieks woord. Dat een epistel inderdaad een ernstige brief is, bijvoorbeeld van de apostelen aan hun vrienden. En hij dacht vaak aan zijn vader, die met zijn lange haren wel een beetje op de apostel Paulus leek, van wie epistels in de bijbel staan. De jongen leerde Grieks en Latijn; en hij ging die talen vergelijken met de zijne, het Nedersaksisch. En hij leerde dat die taal ook wel woorden verbasterde: de pistels van Paulus. Hij leerde zelfs Meneer waarderen, die het ook allemaal niet meer wist met die ondeugende jeugd in de oorlog.

En nu, vele jaren na dat voorval, denkt hij: "Ko'k'm nog m'r's 'n pistel skriem'n". "Kon ik hem nog maar een brief schrijven".