Piele

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

Door mijn veldkijker zie ik in de uiterwaarden, de weerden, vlakbij de rivier een paar kinderen takken snijden van een vrij hoge knotwilg, waar ze met enig levensgevaar ingeklommen zijn. Ze kiezen die takken uit, die geschikt zijn om er bogen van te maken, waarmee je pijlen of pielen over een grote afstand schieten kunt. Ik kan dat gemakkelijk vaststellen, want ik deed in mijn kinderjaren hetzelfde. Eerst vroeg ik aan mijn vader wat paktouw, want dat moest ik gebruiken als spanning op de boog of scheteboage, zoals mijn Nedersaksisch wilde. In het Nederlands heet zo'n boog een pijl-en-boog, wat wij ook weleens vertaalden met piel-en-boage. Dat paktouw was een dik soort vliegertouw. Dan zocht ik, net als de kinderen die ik bezig zie door mijn veldkijker, een wilgentak, bijna zo dik als mijn pols. Hij moest ruim een meter lang zijn en er moest lèven inzitten; hij moest dus taai en buigzaam zijn. Dan zette ik de spanning erop. Dat was zwaar werk, want als aan het ene eind het touw gewikkeld was, moest met veel kracht de tak gebogen worden en hij moest krom blijven, opdat ik het touw aan het andere eind kon wikkelen. Dan kwam het veurnaamste of belangrijkste, het maken van de pijlen. Ik zie dat deze drie kinderen daar ook aan toe zijn. Ze gaan tenminste het riet langs de hank of kolk in om rechte dikke rietstengels te halen. Zouden ze weten hoe het daarna verder moet? Vlierstruiken staan hier in de buurt. Het zal me benieuwen. Ik sneed altijd een niet te dik 'hol-end', holle tak, af, waar ik stukjes van maakte en waar ik het merg uitstak. Zo'n hol stukje tak stak ik op de punt van de piele, om de pijl op deze wijze de nodige zwaarte te geven. Ik zal nooit weten of deze kinderen dat kunstje kennen, want ik hoor ze opeens roepen: "Piele, piele, piele ...!" Dan zie ik een zevental pielenten, pielenden, pijlstaarten of pijleenden op de hank drijven. Aan hun staartjes is duidelijk te zien, waarom ze zo genoemd worden; ze wijzen als richtingspijltjes 'schuuns noa boaven'. De kinderen blijken hun schietebogen totaal vergeten, want het leven aan en op het water heeft hun in de ban.

Ik geniet van die spelende kinderen. In het Drentse, het Gelderse, het Overijsselse, in het Nedersaksische dus, kan nog zo gespeeld worden, ook al zegt de een "Piele, piele, piele ...!" en de ander "Poele, poele, poele ...!" Misschien komt dat laatste wel van poel in de betekenis van watertje. Van pol zal het wel niet komen, want dat betekent oorspronkelijk veld. Polen bestaat bijvoorbeeld uit uitgestrekte vlakke velden en heeft waarschijnlijk aan 'Pol' zijn naam te danken. Ikzelf heb weleens gehoord van 'polen', dat is jagen in het vrije veld, ook wel stropen genoemd. In de Achterhoek is een 'poolhutte' een hut van waaruit de stropers 'polen'. Maar of dat verwant is met poele ...?

Ik dwaal af. Ik moet bij die kinderen blijven. Langs een karrespoor fiets ik in hun richting. Door het riet worden ze nu voor mij onzichtbaar. Ze kunnen mij ook niet zien. Ik hoor ze praten in de ruisende stilte. "Ik mot pissen", zegt er een. "Nou, disse pisbak is groot genog", zegt een ander. Dan is het stil. Twee staan er zeker naar de derde te kijken. "Ik kan mien pieleken neet vinden", klinkt het dan. Een hoog kinderlijk schaterlachen. "Piele, piele, piele ...!" Plagend waait het geroep over het herfstige land. "Lelijke voelek (vuilak)!" hoor ik dan, en er is groot beweeg in het riet. Blijkbaar heeft de plasser wraak genomen op de lachers, door op hen te richten. Ik fiets maar gauw weg. De herfstvakantie van deze kinderen wil ik niet in het water doen vallen. Later zullen ze nog wel leren dat het Oudsaksische 'pil' (piel) van het Latijnse 'pilum' (werpspies) afgeleid is; het blijft een wapen.