Patjakker

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

Stichting Achterhoek - Westmünsterland, in samenwerking met Kulturkreis Schlosz Raesfeld e. V., Staring Instituut Doetinchem, Dialectkring Achterhoek en Liemers, Landeskundliches Institut Westmünsterland. 34-ste DIALECTDAG. Op zaterdag 31 oktober 1998.

Het is een duidelijke uitnodiging. Een bijgaande kaart onderstreept de Einladung nog eens. Het geheel zal plaatsvinden in Groenlo of 'Greunlo'. Dat laatste zei mijn vader altijd als hij op zijn reizen door de Achterhoek die mooie stad moest 'andoon'. "Ik mot vandage Greunlo oke nog andoon". Maar in welk gebouw moet ik zijn? Dat staat nergens vermeld. Wat doe ik? Bellen natuurlijk. Al gauw weet ik dat ik op 'Marveld' moet zijn. Dat weet ik wel te vinden.

Daar gaan Ali en ik dan. Met de auto naar de dialectdag. Daar zal het vandaag onder andere gaan over het dichten van A.C.W. Staring in het Nedersaksisch, het Achterhoeks. Interessant wordt het dus in elk geval. Dat een klas van een middelbare school uit Bocholt ook nog een klucht in het Nedersaksisch, Overijsselse Vryage, uit een vorige eeuw gaat spelen, is mooi meegenomen. Dat is voer voor de beide Overijsselse dialect-consulenten.

Het wordt een prachtige dag, mede door Drs. H. Krosenbrink, die over de neergang en opgang van het Nedersaksisch als literaire taal spreekt. Mevrouw R. Beskers leest gedichten van Staring voor met een prachtig Staring-accent, Staring was immers een Achterhoeker. Ook de discussie over de dialecten en hun gebruik als schrijftaal komt goed op gang. De Duitse grens blijkt in de Achterhoek wat de dialecten betreft al lang niet meer te bestaan, als de 'poal' er al geweest is. Zelf mag ik uitgebreid de 'schoolmeester' spelen aangaande de geschiedenis van woorden, want daar komen veel vragen over los. Zo in de trant van 'Hoe is het toch mogelijk dat dit woord hier zo en daar zus luidt?' Een platspreker uit Munsterland stelt op die manier het woord patjakker aan de orde. "Wir nennt een schmuckler bie us nen patjakker". Ik krijg de gelegenheid erop te wijzen, dat het een woord is dat prachtig in het Plat aan weerszijden van de grens past: "Het woord kump in het Maleis veur". Omdat ik me de spelling in die taal niet herinner - ik denk dat die 'badjaker' is, maar daar kan ik naast zitten -, geef ik die niet. "Een patjakker is döör een crimineel, een bandiet, een rover". Later schiet me te binnen dat het ook een zeerover is, maar dat is niet belangrijk. "Meschiens hef een mense dat nöör disse streken ebracht". Dan vertel ik dat er nog iets anders meegespeeld hebben kan. Dat een Patt in het grensgebied een smokkelpad zijn kon. Een smokkelaar gaat immers op pad. In Münster kent men het Pättkesfahren, wat 'het rijden over fietspaden' is. Jakkeren is in dialectgebieden jagen, snel rennen of fietsen. Het uit het Maleis afkomstige 'patjakker' zou net zo goed een Nedersaksisch woord kunnen zijn: een mens die langs de smokkelpaden jakkert. Natuurlijk moet men er wel rekening mee houden dat een dergelijke redenering altijd rust op drie pijlers, namelijk kennis van de taal van de eerste gebruiker van een woord, vergelijking van klanken, vooronderstellingen van degeen die het taalgebruik bestudeert. Het mooiste voor de geïnteresseerde is de eerste gebruiker van een woord te kennen.

Een verrijkende dag en een verreikende dag, want ik heb nooit geweten dat 'patjakker' in het Nederduits achter de 'paal', de grens opgenomen is. Het vermoeden rijst bij mij dan ook, dat het uit onze taal eerst naar overzee is getransporteerd en daar is opgenomen in de taal van de bewoners. Dat ga ik onderzoeken. Het resultaat van dat onderzoek hoop ik te publiceren.