Pampelen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 20 februari 2009

Licht. Geluid. Schreeuwende 'teunebanken' met etenswaar. Winkelende mensen. Hoestende koukleumers. Beeld van de decembermaand in het centrum van de stad. Stil schuifel ik erdoor, niet omdat het zo druk is, maar ik wil nu ook eens zien waar ik langs loop zonder te kopen, te eten, ik kan immers na het winkeltjes kijken me nooit herinneren wat ik beleefde; het is dan één grote wilde warboel in 'mien kop'. Ik pak de gezelligheid, de sfeer die van dat kakelbonte luide lichtgewemel moet uitgaan, nu eenmaal niet. Dat is niet, omdat de kersttijd voor mij een andere tijd zou zijn dan die hier verbeeld wordt. Ik houd van de kersttijd en de donkere dagen ervoor, maar dan moet ik wel lekker in een hangstoel zitten lezen bij alleen licht op mijn boek, en niet eens met een achtergrond-muziekje.

Langs de viswinkel op de hoek kom ik. Een man en een vrouw staan gearmd tegen elkaar leunend daar naar binnen te kijken. Als ik langs hen loop, krijgt de vrouw een enorme hoestbui, waardoor ze nog krommer gaat staan dan ze al leunde. Ik blijf staan, er kan immers iets gebeuren. Maar het valt mee. Haar rug recht zich weer en ze zegt met hese stem: "Ik geleuve, Gerrit, da'k toch möör een zolte hering nemme, met uitjes, da's best tegen de hoost".

"Zo'j dat noe wel doon Geesken? Iej hoost oe al wèken te bärsten, en in plaatse van nöör een fesoenlijke dokter te goan, vrèèt en drink iej enkeld van dee kwakzalvermiddeltjes. Iej könt zo toch neet an 't pampelen blieven? Zoo kom iej steeds verder van huus. Zeg iej noe ook is, meneer!"

De man heeft gemerkt dat ik de hele gebeurtenis mee gekregen heb, maar ik weet niet wat ik zeggen moet. Voordeel is, dat ik beide generatiegenoten in hun eigen taal kan aanspreken. Hun taal is ook de mijne. In die taal lukt mij het antwoord altijd, ook al is het niet goed.

"Kiek is, mensen, meneer zeg' dat mevrouw pampelt, dat zee met haer kwoale henzeurt, kwakzalvert ... ". En zo bouw ik mijn betoog steen na steen op tot een gebouw dat zij niet meer kunnen overzien. Ze staan me na mijn woorden met open mond aan te kijken. De vrouw reageert het eerst: "Dus iej wollen beweren dat pampelen zon beetjen 't zelfde is as slampampen en pimpelen en wat een hoop mensen met de feestdagen doot?" Ik schud mijn hoofd. Dan zeg ik dat in het algemeen het resultaat hetzelfde is, dat het er niet beter van wordt.

Dan de man: "De dokter zal wat geven dat de kèèlkriebels een beetjen verdrif, wat verdovends meschiens?" Ik knik. "Kom, vrouwe, wie goat dee zolte hering met een uitjen kopen; dat werkt neet, möör 't helpt wel!"

Het is merkwaardig, denk ik, terwijl ik mijn stadsronde voltooi, dat in het Nedersaksisch 'pampelen' in de betekenis van 'kwakzalveren' maar in een enkel dialect voorkomt. In het Engels is toch bekend 'to pamp' in de betekenis 'verzadigen'. En wie kent niet de verzadigingsluier waarin 'pamp' verwerkt is? Of zou het gewoon een Nederlands leenwoord zijn? Op dat moment krijg ikzelf een nies-aanval. Die houdt maar niet op. "Iej mot èven weerumme lopen", hoor ik achter me. "Een zolte hering met uitjes helpt goed! Ha .. ha .. ha .. haaa ..!" Ik wacht op mevrouw en mijnheer. Zij vertelt dat ze na het weekeinde naar de huisarts zal gaan, als de hoestbuien dan niet over zijn. "Ik kan wel heel wat anders onder de leden hebben", zegt ze. Dat is duidelijke taal. En ik loop naar het station om de bus te halen. Nu weet ik straks thuis weer niet te vertellen wat ik allemaal gezien heb. Dat maakt niets uit. Ik ben wat ervaringen rijker.