Otteren

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Zelden heb ik een otter van dichtbij gezien. Geroken heb ik het dier nooit. Zijn geur ken ik dan ook niet, tenzij het beestje zo ruikt als het vriendje dat naast me in de klas zat op de lagere school. Zijn lucht was nergens mee te vergelijken, maar de mensen zeiden altijd dat hij stonk als een otter. Inderdaad zat er aan hem een geur waar slootwater mee bezwangerd is. Ik vermoed dat de jongen daarom 'een otter' genoemd werd.

Toen ik leerde dat 'otter' oorspronkelijk komt van het Griekse 'hudra', waterslang, was ik wat geuren betreft nog niets verder. Of mijn vriendje nu heeft gestonken als een waterslang, een hudra of een otter, zijn lucht en mijn herinnering eraan had ik nog steeds in de neus. "Iej roekt as Henkie", zei ik wel eens tegen iemand die ik niet mocht, terwijl ik aan Henkie toch geen hekel had.

Tegen een otter zei ik trouwens ook wel 'rotte', in plaats van 'waterrotte'. Wist ik dat otters en rotten verschillende dieren waren? Er waren meer mensen die het onderscheid blijkbaar niet kenden, want velen lieten Henkie 'rotten'. "Jonge, Henkie, wat zit iej weer te rotten". En rotte is een nevenvorm van 'rat'; dat stamt af van het Oudsaksische 'ratta'. Ratten kwamen toen als knaagdier al veelvuldig voor. Van rotte als zelfstandig naamwoord naar rot als bijvoeglijk naamwoord in de betekenis van 'bedorven' is overigens ook maar een heel kleine stap.

Toen ik zover was in mijn denken, werd het me een beetje duidelijk hoe Henkie rook: er hing een aura van bederf om hem heen, een air van verrotting, een lucht van rottende plantenresten die in het water ondergaan. Zo rook dus een otter volgens de mensen, naar rottingsgassen van planten. Pas veel later hoorde ik dat het gezin waar Henkie uit kwam, een vegetarisch gezin was. Henkie leeft nog, maar of hij nog vegetarisch eet, weet ik niet.

In plaats van "Dee jonge zit te rotten" zegt een aantal dialectsprekers wel "Dee jonge zit te otteren". Die verwisseling van diertypen is mij nu helemaal duidelijk. Beide werkwoorden komen volgens mij al in het Oudsaksisch voor, want ook toen kende men het verschil tussen waterratten en otters nauwelijks, denk ik. Hoewel? De mensen leefden in de Middeleeuwen heel wat dichter bij de natuur. 'Udra' komen we zelfs tegen in het Oudindisch. In het Achterhoeks en Twents kennen we verschillende uitspraken van 'otteren', en daardoor ook verschillende spellingen: otteren, ötteren, öteren, äöteren, öäteren. Er zijn er die beweren dat al die spellingen nodig zijn om bij het schrijven in het dialect aan te geven uit welke plaats het dialect afkomstig is. Zo zou een auteur uit Eibergen en omgeving äöteren moeten schrijven, terwijl er aan hem toch hetzelfde Nedersaksische luchtje zit als aan mij. Ik vind dat één spelling voldoende is en ik kies voor ötteren. Daar kan ik mee doen wat ik wil! In ieder geval kan ik zien dat het grondwoord 'otter' is. En ook al weet ik nog steeds niets over de geur van dat dier, Henkie blijft rieken als een otter, hij blijft rotten, hee blif ötteren as een boer dee an 't mesten is. En zo blijft hij in mijn herinnering. En mocht ik hem ooit ergens ontmoeten, dan zal in het voorbijgaan zijn geur mij de otter doen zien. Misschien is ons waterrijke landje dan weer bevolkt met dat dier, dat net als de bever de natuur slechts bevolken wil, als de geur, de kleur, de waterkeur van de natuur waarin hij leven moet, hem aanstaat. Zie ik dan de otter, dan zal ik Henkie voor me zien.

Jammer dat de otter zijn geur niet bij mij heeft laten hangen, zodat ik nog steeds niet weet hoe hij ruikt. En ik vind hem zo mooi! Ik geloof niet dat hij stinkt als Henkie.