Ophopen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Rustig trappend rijd ik richting Elshof, eerst de 'spoorliene' en dan de 'Zandwètering' kruisend. De weg is niet al te breed, zodat ik bij passerende vrachtwagens bijna in de berm terecht kom. Dat doet me extra goed opletten, waardoor me die vrachtwagen met een enorme hoop 'gèèl' zand opvalt, waar bij iedere schommeling aan de zijkanten een hoeveelheid zand afvalt. Voor alle zekerheid stap ik af en ik ga zover mogelijk de berm in. De chauffeur rijdt dankbaar toeterend voorbij. Ik kijk de wagen na. Ineens zie ik mezelf aan tafel zitten met een bord zuurkool met spek en rookworst voor me en ik hoor: "Wat hei'j oew bord weer opheupen' vol'eskept!" Opheupend moet toch wel Nedersaksisch zijn, want ik heb nog nooit in het Nederlands gehoord: "Je moet je bord niet zo ophopend volscheppen", als iemand zijn bord zo volgeladen had, dat er een kop op zat; het eten zou er als een zandhoop op liggen, wat natuurlijk wel een mooi beeld is. Het woord 'ophopig' ben ik in de betekenis van 'met een kop erop' weleens tegengekomen, herinner ik me plotseling, maar dan als volgt gespeld: ophopich. Dat komt namelijk voor in het Middelnederlands. Als iemand bij verkoop van een artikel, bijvoorbeeld graan, meer dan de maat gaf, zei men: "Hi en hevet hem niet weynich ghegeven; hi ghaf hem eene ophopiche maat." In het Nederlands: "Hij heeft hem niet tekort gedaan; hij gaf hem meer dan genoeg." In het dialect zeg ik nog steeds: "Hee hef hem niks tekort edoan; hee gaf een opheupend volle moate." Opvallend is daarbij wel, dat ik dan het onvoltooide deelwoord 'opheupend', behorend bij het werkwoord 'opheupen', als bijwoord gebruik, terwijl 'ophopich' als bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt in 'eene ophopiche maat'. Maar dat is niet zo belangrijk.

Kom, ik stap maar gauw weer op, richting Elshof, de grote tuin met de elzen dus, als ik de samenstelling van het woord naar zijn betekenis ontleed. Dit moet wel een bomenrijk gebied geweest zijn, de namen in aanmerking nemend: Wechterholt, dat verbonden is met Elshof, alsof hier in het land van de Zandwetering, de Oude Wetering en de Soestwetering een holt of een bos gelegen heeft dat toebehoorde aan de wechter of de wachter(s), of was het gewoon ene mijnheer Wechter. Zeker is het dat 'wechter' de umlautvorm is van 'wachter', wat op een meervoud duiden kan, en dat het een heel oud Saksisch woord is. Het komt van 'wahta' (uitspreken als wachta), dat 'bewaking' of 'wacht' betekent. Wechterholt is dus een heel mooi en oorspronkelijk Nedersaksisch woord. Dit allemaal overdenkend onder het trappen, ondertussen genietend van het weidse landschap langs de weteringen, ben ik onbewust afgeslagen naar Lierderholthuis. Ontleed ik dat woord in zijn samenstellende delen, dan kom ik op 'Lier', '-der', 'holt', 'huis'. Ik heb jaren geleden al eens geprobeerd die naam te verklaren. Ik vond toen in mijn boeken het volgende: "Branden als een lier: lier zullen we wel moeten opvatten als een soort van den, pinus larix, in het Hoogduits Lierbaum." Dat bracht mij tot de mening dat 'lierderholt' 'lariksbos(sen)' zou kunnen betekenen. 'Lierderholthuis', vroeger en ook nu in het dialect uitgesproken als 'Lierderholthuus', zou 'het huis in het lariksbos' zijn. Ook deze prachtige naam zegt op deze wijze iets over de vroegere bosrijkheid van het gebied tussen de weteringen. Moet ik dit allemaal wel in één adem aan mijn lezers vertellen? Als ik naar Heino rijd, denk ik: "ophopen, Elshof, Wechterholt, Lierderholthuis. Bin ik te opheupend bezig ewest? Ik g'leuf het neet. In Heino mos' ik möör is èv'n anlegg'n en een bord opheup'nd vol patat èten; ik beginne te boeksprèken van de trek."