Öliekrabben

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Heerde. Nieuwjaarsbijeenkomst van de 'Dialektkringe Salland en Oost-Veluwe'. In zijn openingstoespraak deelt de voorzitter mede dat de öliekrabben en twee consumpties ons aangeboden worden.

Meteen ben ik met mijn gedachten mijlen terug in de tijd. Moeder staat gebogen over het kolenfornuis in de keuken te bakken. "Ik bakke möör weer een emmer vol öliekoken", hoor ik haar weer tegen Vader zeggen. Ze bedoelde daarmee dat ze zoveel beslag had gemaakt dat het nauwelijks in een emmer kon. Dan gaat ze 'an het bakken an', zoals dat in ons dialect nog steeds gezegd wordt. Een heerlijke baklucht dringt het hele huis door. Die geur komt me nu weer in de neus, terwijl ik een öliekrabbe van de schaal pak. 'Krabbe' heb ik mijn moeder oliebollen nooit horen noemen. Tot zeker in de jaren zestig heb ik haar altijd 'öliekoken' horen zeggen.

Dan schiet me een gesprek te binnen dat ik kort voor de jaarwisseling gehad heb. "Kuijk, bie ons sprèèkt ze altied nog van öliekrabben. Hoe komt ze toch an dat woord krabben?" Ik zie mijn moeder op dat moment met de schuimspaan de eerste drie oliekoeken uit de grote oliepan scheppen. Ik zeg dat de vroegere oliebollen, die van mijn moeder tenminste, op krabben leken. Ze hadden allerlei vreemde schaar- en pootachtige uitwassen aan hun toch wat afgeplatte lichaam, vooral als het beslag wat aan de dunne kant was. Die uitsteeksels waren knapperig als botjes. De oliebollen leken dus op krabben. Ik zeg dat maar zo, zonder verder na te denken. Later zal ik wel eens proberen uit te vinden of mijn opvatting over krabben voor bollen juist is.

Door vergelijking ontstaan de mooiste woorden en klankcombinaties. Zo ontstond in een aantal Nedersaksische dialecten bij het bakken het woord 'pofferd', ook wel gespeld als 'poffert', bedenk ik me plotseling. Het moet wel met poffen of puffen te maken hebben, wat sissen betekent. Mijn moeder goot na het oliebollen-bakken de laatste rest beslag in een koekenpan, en bakte er op deze wijze een pofferd van. Tijdens het bakken werd die koek al opgeblazener en opgeblazener tot sissend en puffend op een aantal plaatsen op de koek gassen ontsnapten. Soms ging het in de pofferd tekeer als in de pijp van een stoommachine: pofff ..., pofff ...., pofff... . En terwijl ik dit overdenk, realiseer ik me dat ik over 'krabben' in öliekrabben feitelijk niets hoef na te 'trekken', want dat mijn vergelijking met de rivierkrab zo raak is, dat het wel zeker is dat mijn verklaring juist is.

Krabbe of krab, een mooi, oud woord! Een krabbe is een krabber. Dat heeft ook weer met krabbelen en kruipen te maken. Toevallig weet ik dat het Oudnoorse 'krafla' kruipen betekent. In bijna alle Germaanse talen komt een woordstam met 'krb' voor. Ik moet plotseling denken aan het Duitse 'Krebs'. Ik kan me goed voorstellen dat de 'uitzaaiingen' aan de oliekrabben aan een heel ernstige ziekte doen denken. Ik moet hier mijn gedachten over krabben en kreeften maar stilzetten. Ik ben op een feestelijke bijeenkomst. Ik zet me maar snel te luisteren naar het lied van die Groningse troubadour Ede Staal, waarvan 'Het het nog nooit zo donker west, of het wördt altied wel weer licht ... ' door de foyer van het Dorpshuis klinkt. En dan ben ik weer helemaal bij de les van vandaag. En ik zet mijn tanden in de öliekrabbe, die door de moderne bakwijze een bolle krab geworden is, waaraan elke overeenkomst met een krab ontbreekt.