Oas

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Vaak vermeld ik in mijn verhaaltjes bepaalde dingen niet, omdat ik dat gewoon vergeet of iets niet weet, of meen dat het niet van belang is. Gelukkig heb ik zeer oplettende lezers. Zij maken mij vrijwel meteen kenbaar dat ik 'in gebreke' gebleven ben. Zo belde mijnheer Van W. op naar aanleiding van de hupzelen, bretels. "Iej hadden 'lichters' nog kunnen vermelden". Hij heeft gelijk. Ik ken dit woord met als meervoud 'lichten'. Ik had dus mooi die meervouden met elkaar kunnen vergelijken: licht - lichten. Maar ook licht - lichter. Dat laatste woord werd nog eens in het meervoud gezet, misschien daar het niet meer als meervoud herkend werd, en kreeg een meervouds-s: lichters.

Mijn vriend Will H. maakt me middels een kaart erop attent dat 'handlanger' afkomstig kan zijn van 'anlanger'. Anlangen is immers aanreiken. 'Anlanger' is 'handlanger' geworden, heeft hij van Herman Korteling geleerd. Naar aanleiding van het woord 'piel' merkt hij op dat ik daarbij had kunnen vermelden 'pielepoot' ofwel 'ooievaar'. Will noemt Herman Korteling zijn 'veurganger' in het Dèventer dialect.

Wat vind ik het fijn dat de naam 'Kötteling' weer eens genoemd kan worden. Hee was immers een oas in het Dèventerse sproakgebied in geschiedkundig, toalkundig en literair opzicht. En waarom noem ik hem een aas. Hij was een kopstuk, een hoogvlieger, die door de Fransen een 'as', uitspreken als aas, genoemd worden zou. Hij was immers een kei, een kraan op zijn gebied. Men moet mij niet misverstaan. Oas heeft in het dialect verschillende betekenissen. Oas is immers ook het lokvoer waarmee ik vis probeerde te vangen. In dat geval heeft het niets met 'as' te maken. Het oas an mien angel is van Latijnse eursprong: esca, wat eten betekent. Natuurlijk, in zekere zin was Herman Korteling ook lokspijs! Evenals Broos Seemann trouwens. De luisteraars en lezers vraten hen. En waarschijnlijk nog, want zij zijn gebleven in hun geschriften, en zij worden gelezen.

Een oas in de betekenis van 'tak' of 'knoest' kan ik iemand alleen maar noemen als hij of zij oud en knoestig is geworden. Aest of aes werd in de Middeleeuwen voor tak gebruikt. In het Gotisch is het 'asts'. We kunnen de afkomst volgen tot in het Indo-Germaans.

Als ik vroeger een oas genoemd werd, was dat niet best. Dan had ik wat uitgevreten. Dan was ik bijvoorbeeld als haantje de voorste weer krengerig bezig geweest. Aas was dan feitelijk een bestraffende naam. Het klonk ook scheldend: "Kom hier, oas". Aangezien kreng of aas in dit geval te maken heeft met aaseters of krengeters, vreters van dode dieren, een dood paard misschien, was de naam oas niet lieflijk bedoeld. Integendeel.

Toen een heel groot man jaren geleden stierf, zei mijn vader: "Dat was noe een oas!" Hij gaf daarmee aan dat de man altijd had liggen azen op de top, dat hij een aas, kopstuk, geworden was, dat het een hond van een vent geweest was, dat hij alles was wat 'oas' in kan houden. Door de zeer ruime betekenisinhoud die 'aas' heeft gekregen, is het een moeilijk woord in het gebruik, behalve in het kaartspel. Iedere kaarter weet dat een aas macht heeft, dat het een van de kopstukken is waar soms de boer en de negen boven verheven zijn. En dat is goed. Op zekere momenten in het leven is er altijd een baas boven baas! Dat ondervinden kopstukken in de literaire wereld ook. Eén mens kan bij een schrijfwedstrijd maar winnen. Wat een aas! Zij heeft gewonnen. Hij heeft gewonnen. "Oazen wekt een boel jeloersigheid", merkte iemand tegen mij op bij een prijsuitreiking. Die man heeft gelijk als het gaat om mensen die echt op prijzen azen! Meedoen is belangrijker dan winnen, lijkt mij een beter uitgangspunt. Ben ik weer bezig de les te lezen? Wat een oas bin ik toch!