Nöttenkörf

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

"Je moet hem toch kopen; zo'n kans krijg je nooit meer", zeg ik tegen mijn vrouw, als we na de video-voorstelling in het restaurantje van de museumboerderij nog wat zitten na te praten. "Dat vind ik eigenlijk ook. Laten we maar meteen terug gaan naar de deel, anders heeft de mandenmaker hem misschien al verkocht." We slenteren naar de plaats waar vrijwilligers de oude ambachten oefenen, die vroeger voor het boeren nodig waren. Op deze dag zijn er niet zoveel aan het werk, maar dat hindert niet, want de vervaardigde producten zijn allemaal tentoongesteld en ... te koop. De prijzen ervan lijken hoog, maar alles is volledig handwerk; naar de werkuren gerekend is elk juweeltje een koopje. We lopen meteen naar de mandenvlechter. In de haast verstrooien we bijna de witzand-figuren op de lemen vloer, die zo zorgzaam zijn gemaakt, een ambacht apart. En hij ligt er nog, de mand. Het is een kleine wereldbol met twee polen, waar de wilgentenen of berkentwijgen als meridianen over lopen; het vlechtwerk vormt de breedtecirkels van de gevlochten bol. Een smalle korte brievenbusgleuf is uitgespaard en de notenbal kan zo met wal- of hazelnoten of tamme kastanjes gevuld worden. Een lange gebogen twijg dient als hengsel. En ik weet meteen waarom de nöttenkörf is zoals hij is, want ik zie mezelf alweer in oktober aanstaande onder de walnotenboom in onze tuin noten garen. Ze zullen door de regen of de morgendauw weer kletsnat zijn. Met een doek wrijf ik ze een voor een zo droog mogelijk. Gedurende een dag of tien volg ik elke morgen hetzelfde ritueel. Dan heb ik de noten binnen. De eekhoorns mogen de rest hebben. Dat zijn er meestal nog genoeg, behalve als het een slecht notenjaar is ; dan krijgen ze alles.

Als de noten binnen zijn, begint het gevecht tegen de schimmels, waarvan de sporen zich tijdens het drogen op de nötten vastzetten. Noot voor noot moet ik dan weer afpoetsen om ze goed te houden. Dat is een heidens karwei. Die notenkorf is, denk ik, een uitkomst. Eén keer de noten poetsen en ze door de smalle gleuf in de schemerige stof- en sporenvrije frisse ruimte gooien. Zo kunnen ze beschermd drogen. De korf kan in een koele ruimte opgehangen worden. 'Notenmand' staat in keurig getekende drukletters op een wit kaartje dat op de korf ligt. De prijs staat erbij. Ik weet dat die laag is, want ik heb lang geleden dit soort vlechtwerk in het sanatorium, waar ik kuurde, met pitriet gedaan, en dat is een stuk lichter werken. "Mien vrouwe wil dee nöttenmande graag kopen", zeg ik. "Da's mooi", antwoordt de vrijwilliger, "doa hebt ze heel wat werk met ehad". "Dat ka'k wel zeen, want umdat ze feitelijk twee boadems veur dee bolle mosten vlechten en het toch een geheel worden mos', mosten de halve bollen in mekäre oavergoan. En dat is zwoor!" zeg ik.

Even later lopen we met de notenkorf buiten. "Hoeveel van die dingen zouden er nog zijn?" vraag ik me hardop af. "En hoeveel zouden ze er hier op Wendezoele in Delden nog maken?" Mijn vrouw kijkt me aan. "Daar kom je alleen maar achter, als je er onderzoek naar doet", zegt ze. "Maar wat kan ons dat eigenlijk schelen. Ik wou graag een origineel vakantiesouveniertje, en dat heb ik. Dit najaar neem jij je notenmand in gebruik; het lijkt een redelijk notenjaar te worden. Je hangt de mand op een mooi plekje ...". "En dan kieken wat 't wördt", vul ik aan.

Dan zien we onze vrienden, die met ons op Wendezoele zijn, staan. "Heb je die gekocht?" "Oh, wat leuk!" "Een mooie herinnering aan dit bezoek!" "Hoeveel noten kunnen erin?" Dat laatste is bij een bolvormige mand moeilijk te schatten. "Vijf liter?" zeg ik aarzelend. Maar zeker weet ik het niet. "Dutterneetoo".