Nösterig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Een mopperpot is Antonius niet. Hij is altijd vrolijk. Zijn naam houdt feitelijk ook in dat hij een blijde aard hebben moet. Die naam moet immers in de tijd van de Kruistochten, de twaalfde eeuw, meegekomen zijn uit het Heilige Land, en door een van de kruisridders aan zijn nazaten zijn doorgegeven. Antonius lijkt zelf ook zo'n kruisridder. Hij is slank, heeft geen buikje, is gespierd, heeft een bruine kop met donkere ogen er glinsterend in. En .. hij speelt de blijde zendeling of missionaris in zijn feestelijke verhaal. We zitten op het feestje van een gemeenschappelijke vriend allen aandachtig naar de stentorstem van Antonius te luisteren. Hij vertelt hoe hij van over de rivier in deze streken kwam en onderdak zocht in een herberg. Het gebied waar hij gekomen was, omringde met zijn donkere bossen hem dreigend. Hij kwam op een verwaarloosd dorpspleintje bij een taveerne met logies. Voor de verveloze deur stond één paar sandalen; ze leken als botten afgekloven. Hij klopte aan. De herbergier deed de deur op een kier en hij vroeg wat Antonius kwam doen. Die zei dat hij wou helpen bij de kerstening van de streek. "Zee'j dee sandalen, dee bint van een zendeling dee het volk hier pas op-evrèten hef", zei de herbergier. "En zo ben ik hier blijven hangen, en kijk eens om jullie heen, hoe de streek er nu uitziet", lacht Antonius.

Wij schieten in de lach, al gaat het verhaal over onze eigen streek. Evenals Antonius zijn we geen van allen nösterpotten. We weten dat onze vriend ons niet wil 'nosen', en wij willen dat een ander ook niet. Het Middelnederlandse nosen betekent immers benadelen, schaden, kwetsen, deren, leed doen. Een nösterpot is iemand die door zijn mopperen en knorren zichzelf en anderen leed doet, die zich beschadigd voelt en anderen beshadigt. Antonius is niet zo'n man, hij is een grappenmaker. Toch maakt hij met zijn opmerkingen andere mensen wel eens 'nösterig'. Je zult maar niet tegen een grapje kunnen en in het dorp wonen dat hij met name noemt, vooral als hij er bijvoegt dat hij die streek toch aardig heeft weten te civiliseren _ . "Neet dan .. ?" zegt hij ook nog.

Tegenover iemand die nösterig is of wil zijn, doet een mens niet gauw iets goed. Ieder woord valt bij een dergelijke mens verkeerd. Zo iemand is mopperig, humeurig, eigenwijs, voelt zich steeds 'aangetast'. Een dergelijke persoon denkt dat iedereen nosel is, schuldig, hard, zondig, kwaadwillend. Zelf voelt die individu zich 'onnozel', onschuldig, zachtmoedig, zachtaardig. Hem of haar wordt iets aangedaan wat kwetst en dat maakt 'nösterig'.

Of Antonius nösterig kan zijn? Het zal best. Ik weet het niet. Maar het ligt niet in zijn aard. Het is geen ingekraste karaktertrek. Ik ontmoet hem echter veel te weinig om een en ander zeker te weten. Ik vind hem in ieder geval geen nösterd.

Nozen is schaden. Mogelijk komt het van het Oudfranse 'noise', wat kabaal, twist inhoudt. Dat is verwant aan het Latijse 'nausea', zeeziekte, walging, afkeer. Het Grieks kent 'naus', schip. Wie van de verhalen van Antonius niet nösterig wil worden, kan zich wapenen: hij of zij moet er bij voorbaat rekening mee houden dat Broeder Antonius je in de boot neemt, dat je het schip ingaat!

Nösterig wordt in het Nedersaksisch nog wel gebruikt, maar het wordt toch steeds minder gekend. De afkomst van het woord dwingt mij echter een poging te doen het gebruik ervan enig extra leven in te blazen. En hoe kwam ik op het woord? Antonius' vrouw zei op de opmerking van iemand naar aanleiding van Antonius' grap: "Daar kan Gerrit wel tegen!" Zij weet namelijk dat Gerrit geen nösterige aard heeft. En toen schoot mij het woord te binnen en ik dacht meteen: "Antonius is ook geen nösterpot".