Noffe

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Als Laurens langs het tafeltje loopt waar ik zit, legt hij drie verse kastanjes voor me op het tafelblad. Hoe weet deze man dat ik al jaren met drie kastanjes in mijn linker broekzak loop en die iedere herfst ververs? Bij die gedachte kijk ik hem aan. "Wat is er?" vraagt hij. "Hoe weet jij dat ik al jaren drie kastanjes in mijn zak heb?" "Dat weet ik niet; op het plein hier staat een enorme boom vol met die dingen. Ik heb gewoon drie mooie van de grond gepakt; die heb ik zo maar voor jou neergelegd. Toeval. Maar waarom loop jij met die dingen in je zak?" "Dat zal ik je vertellen. Mijn vader had zo lang ik hem kende, drie kastanjes in een van zijn broekzakken. Dat deed hij om de reumatiek van zijn lijf te houden. Die gewoonte heb ik overgenomen. En zie, sinds die maatregel genomen te hebben, heb ik geen reumatiek gehad!" Ik zeg het heel nadrukkelijk. De andere gasten aan mijn tafeltje kijken Laurens aan, benieuwd naar zijn reactie. Sceptisch kijkt die mij aan. "Je wilt toch niet beweren dat ... ?!" Op dat moment komt Hanneke, zijn vrouw, bij ons tafeltje staan. "Moet je 's horen, Han ... ". Laurens wil het verhaal vertellen. Maar ik ben hem voor. Ik vertel het verhaaltje, letterlijk mezelf citerend, nog een keer, nu aan Hanneke. Zij kijkt mij lachend aan en zegt: "Jij hebt na het in de zak steken van drie verse kastanjes geen reumatiek gehad; maar ... daarvoor ... ?" "Ook niet", lach ik. Hilariteit. "Dat vind ik een hele goeie; feitelijk is het een taalgrap", zegt Laurens. Ik leg mijn verdroogde kastanjes in een asbak op het tafeltje en steek de verse kastanjes in de zak.

Die asbak op dat tafeltje houdt me na die handeling vast in het verleden. Ik zie me als jongetje kastanjes zoeken; ik zie Ot en Sien ermee spelen. Ik zie het plaatje voor me, waarop Ot een pijpje maakt. Ik zie de grootvader van Ot met zijn pijp in zijn mond. En ik zie mijn eigen vader weer zitten in zijn luiestoel met zijn pijp in de mond. Hij had een kromme pijp, een lange, geërfd van Opa. Daar rookte hij af en toe 's zondags uit. Maar meestal trok hij als een razende aan zijn rechte pijp met grote kop. Ik hoor hem nog zeggen: "Twee koppen an ene stelle". En dan lachte ik. Het mondstuk van de pijp 'knauwde', 'kluifde', 'knoefde' hij stuk. Er kwam boven en onder een gaatje in. Geen nood, hij haalde uit de 'neideuze' van mijn moeder een 'klösken iezergören', een klosje ijzergaren, knipte een stuk draad van redelijke lengte af en hij wond dat om het mondstuk over de gaatjes tot een heel klein 'kluwentje' of 'kluifje' of 'knuufken'. "Noe rookt e weer lekker", placht hij dan te zeggen. Als het helemaal onmogelijk werd het mondstuk nog te bekluiven, kocht hij pas een nieuwe pijp: een rechte met een grote kop. Later, toen ik ouder werd, gaf ik hem met zijn verjaardag vaak een nieuwe pijp, een rechte met een grote kop. En hij rookte ook die stuk en hij bleef er een 'noffe' gören om winden.

Noffe, ergens moeten er nog mensen in de Achterhoek te vinden zijn, die 'knoffe', 'knoeve' of 'kluve' zeggen. Toen ik 'noffe' voor de eerste keer hoorde, kreeg ik hetzelfde beeld van mijn vader te zien als nu, nu Laurens mij aan verse kastanjes geholpen heeft. Ik herinner me nog, hoe ik al luisterend en vergelijkend van het Nedersaksische, Achterhoekse 'noffe' op het Nederlandse 'kluwentje' kwam. Misschien was dat tegen alle taalgeschiedeniswetten in, want ik vergelijk nu eenmaal liever op klank horizontaal, dan op de spelling verticaal. De ontwikkeling van een woord interesseert me minder dan het gebruik ervan. Ik wil weten wat een 'noffe droad um een piepestelle' is, in mien eigen taal, en dat bint der twee, Plat en Nederlands.