Neulen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Op vrijdag 25 november 1994 reden mijn vrouw en ik naar de 'Dialektmarkt' in de stad Lochem. Die markt ging uit van "Vrienden van de Streektaal - Lochem, veur Lochem en umgeving". 'Umgeving' is een rekbaar begrip; men kan er zelfs de hele Achterhoek, Salland en Twenthe mee bedoelen en nog meer. Toen we in de gezellige drukte langs de kraampjes neusden, zagen we hem ineens staan, Jan. Hij is een wat oudere collega van mij, die heel goed voorlezen kan in de Nedersaksische streektaal, en hij kan er ook zo gezellig over praten. Ik zeg altijd, dat hij er zo lekker over neulen kan. Ik zeg dat zo: "Wat kan dee Jan toch leuk oaver dialect proaten. Wat is het toch een lekkere nölerd". Ik bedoel dat heel positief: een verteller is een nölerd voor mij. Iemand die zit te zaniken en te zeuren noem ik een "nöle". En wat zo'n persoon zegt is voor mij "genööl". Goed, Jan stond daar dus. Hij heeft een karakteristieke kop, met bril op scherpe neus, waar hij goed mee neuzelen kan, ofwel 'nusselen', waar ik niet mee bedoel 'nestelen', wat ook zou kunnen in onze streektaal, maar 'snuffelen' tussen de uitgestalde waren - niet enkel boeken -, een bezigheid waar hij mee doorging, toen we even met elkaar 'genööld' hadden over 'vrogger'. "Ik magge graag oaver vrogger nölen", zeg ik altijd eerlijk, als ik een lezing houd of uit eigen werk voorlees. Dat vergt overigens wel veel neuzen in boeken, neuzelen langs de stalletjes op boekenmarkten. Ik blijf dan dikwijls lang "nöle", wat Deens is (in zijn uitspraak) voor 'talmen' of 'treuzelen'.

"Nu is de nöölcirkel rond", denk ik, terwijl ik Jan nakijk, die na zijn ronde met een paar kennissen midden in de zaal staat te nölen. De woorden neuzelen, neuzen, nölen zouden wel eens familie van elkaar kunnen zijn. Maar bewijzen kan ik natuurlijk niets. Maar dat is niet zo erg, want door mijn gedachten bij het zien van Jan ben ik tot de zekerheid gekomen, dat de ware betekenis van veel dialectische woorden niet in het Nederlands is weer te geven. Als ik bijvoorbeeld zeg: "Nölen is zaniken, zeuren, mokken, pruttelen", doe ik veel gezellige nölers tekort. Wat kon Carmiggelt niet gezellig of weemoedig in het Nederlands voor de radio nölen, nadat hij geneuzeld had in wat kroegen, waar een neutje zeker niet ontbrak! Wat kan de Noaber uut Salland (Buurman uit Salland) niet een paar minuten lekker nölen in het weekend voor Omroep Gelderland! Maar ik ben ervan overtuigd, dat wat bij de luisteraar of lezer overkomt als 'gezellige, intieme, humoristische nöölderieje' het gevolg is van zeer veel geneus en geneuzel, wat veel zweetdruppels kost.

Natuurlijk is er naast 'nöölderieje' ook 'genööl'. Ik weet echter dat "Wat een genööl", gezegd door een dialectspreker onder mijn gehoor, betekent dat ik er niets van maak of gemaakt heb in mijn voordracht. Deze uitdrukking betekent dat ik mijn onderwerp heel slecht naar voren gebracht heb, of dat de inhoud van geen kant deugt in zijn oren. Als ik me na zo'n opmerking verdedigen zou, kan ik ook nog te horen krijgen: "Lig toch neet te nölen!"

In cafés, aan stamtafels, wordt veel genööld. Het lijkt alsof de gasten de praatjes zo uit de mouw schudden. Maar laat ik me niet vergissen; ze hebben in de dingen van de dag geneusd en geneuzeld. Sommigen hebben in hun hoofd al hele fragmenten op een rijtje gezet, om op de top van hun vertellinkje, eventueel grapje, te kunnen vragen: "En wat denk iej?" En ze hopen op het antwoord "Gin idee!" En als dan na de stilte, op de juiste tijd, na het antwoord, het gelach de ruimte vult, is de neuler gelukkig, Vooral als hij dan nog hoort: "Dee Piet toch! Een geboren nöölderd!" Maar "Wat een olde nöle" is een afgang.