Musse

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Eind vorig jaar stierf de oudste neef van mijn vrouw, Hendrik Jan Witteveen. Hij mocht in de tachtig worden. Hij was een echte vogelaar en naar mijn mening een bedachtzaam dichter, die zichzelf een eenvoudig vogeltje voelde. In een prachtig sonnet vergelijkt hij zich met de mus: De Mus./ Wie zal ik nog bekoren?/ Ik ben als mus geboren/ opvallend ben ik niet/ en tjilpend is mijn lied./ Ben ik dan op aarde/ een monster zonder waarde,/ een onaanzienlijk ding?/ echt een verschoppeling?/ Volgens de mensen wel,/ maar niet naar Gods bestel:/ Hij schiep mij vrij van zorgen/ en voedt mij elke morgen./ Wat mij ook wedervaart,/ ik ben zijn aandacht waard!

Zo'n gedicht ga ik natuurlijk niet vertalen in het Nedersaksisch. Er zijn zeker vijf woorden, die een gevoelslading hebben, die zich niet vertalen laat! Maar het diertje, de 'musse' in mijn dialect wil ik alle aandacht geven. Onze dichter was zo vertrouwd met dat vliegertje, dat hij er zelf in kroop. Hij identificeerde zich ermee. En als ik kaart 1 van 'Dialekt à la carte: Dialektatlas Westmünsterland - Achterhoek - Liemers - Niederrhein - Karten/kaarten' bekijk, valt mij op dat er in genoemde gebieden maar liefst twaalf namen voor het beestje zijn, dat ik 'musse' noem. Of anderen dan de dichter er ook vertrouwd mee zijn!

De namen zijn Spatz, mus(Mös), musse(Mösse), muske(Möske), musj(Mösch), huussemus(Hüssemös), lunink(leunink, lojnink, Lünink, Lönink, Leunink), huus(se)k(l)ut(s), -klaats, -klat, (Hüs(se)k(l)öt(s), -klaats, -klat), klut(Klött), huussekont(Hüssekont), flots(Flots), moechel(Muchel). De Duitse spelling heb ik hier tussen haakjes gezet. En het gaat hier natuurlijk om wat de Duitsers een Spatz of een Haussperling noemen. Natuurlijk ga ik niet verklappen, welke Plat-woorden nog meer op de 57 kaarten bijeengebracht zijn. En over de teksten uit het deel, waarin over de taal wordt verteld, schrijf ik helemaal niets. Liefhebbers moeten de beide werken maar aanschaffen. Ik vind ze een prachtig bezit. Stichting Staring Instituut is mede uitgever.

Musse blijkt het meest in de Achterhoek voor te komen. De Oude IJssel vormt de grens van dit taalgebied. Ik noem plaatsen als Bronkhorst, Lochem, Ruurlo, Winterswijk. Daar ligt de grens met lunink. Bij Eibergen ligt de grens met muske. Het is wel aardig om te weten dat lunink 'de lawaaimaker' betekent, waarbij je de oren van het hoofd vallen. Het Gotische 'hliuma' betekent gehoor. Oudsaksisch 'hliuning' is geluid. Spatz heft misschien te maken met 'spazieren', want de mus beweegt zich veelvuldig op de straat. Musse komen we in het Middelnederlands tegen als mussche of musse of musch. Het betekent vrij zeker 'vliegenvanger'; het Latijnse 'muscio' is de oorspronkelijke vorm. Uit het Frans is 'mouche', vlieg, bekend. Over de namen 'klut', 'klaats' en 'flots' is weinig bekend. Het lijken geen klanknabootsingen van het tjilpen, eerder andere namen voor de uitwerpselhopen, waar de mus zijn graantjes uit meepikt. Moechel, Muchel komt enkel in de omgeving van het Duitse Heiden voor.

Henk heeft door zijn gedicht heel wat bij me losgemaakt. Hij heeft me er weer bij bepaalt dat Taal Leven is, dat taalgebruik levenskunst moet zijn, dat de Taalkunde bestaat bij gratie van het schepsel dat we met de naam 'Mens' aanduiden. Ik lees zijn sonnet nog eens. Volgens de mensen is de musse een onaanzienlijk ding, een verschoppeling, zegt hij. Ook hijzelf wordt dus door de mensen niet geteld. Dat wist Henk als oud-korpschef van de gemeentepolitie in Vlagtwedde. Zou hij geweten hebben dat een oom van hem als jongen de bijnaam 'Musse' had? Die oom kwam 'uut Twelle'.