Moekerig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

"Ga de Oude IJssel stroomopwaarts en je ontdekt het aardige Duitse stadje Isselburg". Dat hadden ze me gezegd. Ik kwam er niet toe dat riviertje langs te gaan; daarom zit ik nu met de kaart van Duitsland voor me. Het moet er toch eens van komen. Daar staat het met grote letters: ISSELBURG. Hardop zeg ik "Iesselboerg" en "Iesselburg". "Verdreid, zo had Kampen kunnen heten of Dèventer of Zutphen, Bronkhorst of Doesburg". Ineens denk ik niet meer aan een tochtje langs de Oude IJssel. Ik denk aan de gebeurtenis die ik vertellen wil, en die in een van de genoemde steden speelt, maar ik kan geen namen noemen deze keer. Mijn verhaal kan nu als volgt gaan:

Na bijna vijftig jaar in het westen van Nederland te hebben gewoond, ging hij terug naar IJsselburg. Hij wilde zijn eigen taal weer horen en spreken. Het Nedersaksisch had hij gesproken tot hij uit IJsselburg naar West-Nederland verhuisde. Maar niemand kende hem meer, toen hij in zijn geboortestadje terugkeerde.

Nu zit hij op een bankje aan de kade van IJsselburg, naast een man van wie hij hoopt dat hij zijn dialect spreekt. Want zijn eigen taal spreken, daar heeft hij behoefte aan. "Proat iej plat?" vraagt hij. "Joa", is het antwoord. En even later zijn de heren in een druk gesprek gewikkeld over hun beider leven in dit IJsselstadje. Zij zijn zo druk aan het praten, dat ze niet eens de vrouw opmerken die bij hun bank is komen staan.

"Heren, mag ik wat vragen?" "Gaat Uw gang, mevrouw". "Is dit nu de IJssel?" "De Iessel, mevrouw". "O, ik dacht dat dit de IJssel was." "U hebt gelijk", mevrouw. "In onze taal is dit de Iessel". Mevrouw gaat naast de mannen zitten. "Heeft de IJssel zout water?" vraagt zij dan. De heren kijken haar verbaasd aan en zij haasten zich haar uit te leggen dat de IJssel geen getijdenrivier is, dat die stroom dus zoet water heeft. "Ja, ziet U, heren, de wind brengt zo'n frisse zilte geur over het water, dat ik dacht ... . Ziet U, ik woon in de muffe, dikwijls stinkende, binnenstad van Amsterdam. Ik ken deze lucht niet eens meer ... !" Dan staat zij op en ze wandelt, voortdurend die pittige geur opsnuivend, verder.

Zo kan ik nu deze gebeurtenis vertellen. Hoewel die mevrouw niet vertelde, hoe vochtig benauwd en vol mok en smok de binnensteden kunnen zijn, schiet me nu toch het woord 'mokkerig' te binnen. Het is een Nedersaksisch woord, waar men in de buurt van Neede nog weleens gebruik van maakt om aan te geven dat het vochtig, drukkend weer is, zulk weer, waarbij de 'muggen' of 'Mücken' in zwermen onder de takken van de bomen hangen. 'Moekerig' noemt men in de Achterhoek zulk weer, in het midden latend of het familie van 'muckerisch',kwezelachtig of pruilerig, of van 'Mücke' is. Dat doet ook weinig terzake. Belangrijker vind ik dat ik aan 'moekerig' horen kan, dat 'mokkerig' met de -o- van bok uitgesproken moet worden en niet met de -o- van hok.

De man die naar IJsselburg teruggekomen is, ken ik niet. De man die naast hem op de bank zat, ken ik goed. Hij heeft mij het verhaal over teruggaan naar de 'wortels van je bestaan' telefonisch doorgegeven. Hij woont in het gebied waar mijn stukjes wekelijks verspreid worden. Ik heb hem leren kennen als een man, die van het moekerige niets hebben moet, zowel letterlijk als figuurlijk. Hij kent de weg naar de IJssel, weet daar uit te waaien. Hij heeft mij het verhaal dan ook ongezouten, fris opgedist. Ook de man die mij het woord 'moekerig' aangedragen heeft, opgepikt op een camping in de Achterhoek, kent de geestelijke en lichamelijke waarde van de frisse ruimte. Ook hij kwam na vijftig jaar uit de grote stad terug naar zijn geboorteplaats in het oosten.