Matsen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Jaren geleden. Ik gunde me nog regelmatig de tijd naar voetballen te kijken, op de televisie dan. Het zou een mooie match worden, die Engelse cupfinale. Ik weet nu niet meer tussen welke elftallen het ging. Het werd een slag op het slagveld. Aanvankelijk vond ik het een stevige wedstrijd, daarna een strijd, tenslotte een oorlog. Het einde heb ik niet gezien. Toen zat er ook al een knop aan mijn toestel. Wat bij mij de doorslag gaf, was de hamerslag die een van de strijders in het vuur van de kamp toediende aan zijn directe tegenstander. Die ging als een betonblok tegen de grond en hij moest weggedragen worden. Ik rilde van afschuw. Daarna ben ik het voetbal steeds minder gaan volgen. Toch is het me altijd blijven interesseren. Zelf heb ik altijd graag gevoetbald. Als sport is voetbal mooi. Bij een goede en sportieve wedstrijd, is voetbal net een huwelijk. Je probeert elkaar te snel af te zijn, je geniet van elkaars bewegingen, je hebt bewondering voor wederzijdse gedragingen. Ik denk aan het gunnen van een voordeeltje aan de tegenpartij, na een blessure bijvoorbeeld. Daar ik mij op de hoogte houd van het wel en wee van veel clubs, is het me niet ontgaan dat een speler excuus aanbood aan de tegenstander, omdat hij zich niet had gehouden aan dat 'matsen', waardoor een doelpunt ontstond!

Matsen. Iemand een voordeeltje gunnen. Maar ook iemand neersabelen, neerslaan. Uit het Middelnederlands ken ik 'matse' of 'matsuwe'. Dat is een knots of een strijdhamer. Je matst ermee. Ik moet er altijd aan denken, als ik zie hockeyen. Dat is met recht matsen. Een hockeywedstrijd is met recht een 'match', een Engelse slagpartij, niet te verwarren met 'slachtpartij', hoewel slaan en slachten heel sterk met elkaar verwant zijn. In 'match' blijkt tevens dat een goede wedstrijd een soort 'paren' is. Match is immers 'huwen met elkaar'. Ook dit is Engels.

Het Duitse 'metzeln' is neersabelen, doden, slachten. In Duitsland is een slager een 'Metzger'. In het kaartspel is een mats een troef. Je hebt dus een aardig voordeel.

In de grote oorlog moest er veel gematst worden. De mensen moesten met elkaar in de slag om aan het eten te blijven, vooral in de steden. Als jongens deden wij met dat matsen mee. We kenden maar één motto: "Mats iej mien, mats ik oe; mats ik oe, mats iej mien!" Ik hielp Joost aan tabak en vloeitjes, en hij mocht weten waar die vandaan kwamen, hij stelde daar ijsjes van Talamini tegenover, want ik had geen geld! Ik hielp hem met zijn wiskundesommen, hij gaf mij een stuk buitenband om het gat in mijn buitenband te dichten. "Zo matse wie mekäre, Gerrit". En zo was het. En dat matsen is bij mij en vele anderen na de oorlog niet gestopt. Motto werd: "Wiej zult mekäre altied matsen". Eén keer zo'n oorlog meemaken, overleven in gezondheid houdt je dienstbaar!

Matsen. In het Oudfrans is het 'machier', vermorzelen. In het Latijn is het 'masticare', geselen. Eigenlijk is van matsen, een voordeeltje gunnen, de etymologie niet bekend. Het Engelse 'to match', bij elkaar passen, komt er het dichtst bij. Ik meen dat matsen en matsen van dezelfde basis zijn! En daarover durf ik met elke tegenstander te strijden. Als matshamer, strijdhamer, zal ik het 'woord' gebruiken. En dan zal het niet gaan zoals tussen die soldaat eerste klas en die korporaal, die voor elkaar een verlofpasje vervalsten voor een weekeinde onder het motto "Wiej, hogen, matst mekäre allemoale!" In een taalmatch wordt niet gematst. Daar wordt enkel met 'doorslaande' argumenten gewerkt. Net als in een goed huwelijk: Matsen is geven en nemen. Beide partijen moeten kunnen zeggen dat zij elkaar mooi gematst hebben. Gun een ander zijn voordeel.