Mangel

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

Dreigend kwam de bleke kop met de lange armen en de kolossale handen op me af. De ogen en de mond waren stralende witte vlekken in de donkere nacht. Net had ik aan de stamtafel nog beweerd dat ik niet bang was voor spoken, omdat die niet bestonden. Dus richtte ik me op, ik greep mijn bergstok, die - hoe is het mogelijk? - binnen mijn bereik lag, ik hieuw op de kop in. De kop zakte langzaam op de grond. De lichten in de doodskopgaten doofden, de armen en handen verdwenen. De kop raapte ik op. Het was een mangel, ofwel een voederbiet. Toen was ik wakker. Ik wist dadelijk waar ik lag, naast mijn vrouw op het tweepersoons bed in de caravan op de camping 'Brabois' in Nancy.

De vorige avond hadden we eens even nagegaan, hoeveel dagen we nog vakantie nemen konden, met het oog op bepaalde verplichtingen die wij beiden thuis hadden. Het waren slechts tien dagen. Toen kwam ik aan het denken: Waar moest het stukje over gaan dat ik dan voor mijn dagblad leveren moest? Ik wist het meteen; over mangel en mangelen. Dat kwam, omdat wij jaren geleden in Frankrijk zo'n droge zomer meemaakten, dat in Normandië door water- en voedselgebrek de koeien bananen te eten kregen. Het was hoogzomer en voederbieten of mangelwortels of, zoals ze in de Achterhoek zeggen, mangels, waren er nog niet. Mijn droom is dus alleszins begrijpelijk: Wacht tot de nazomer. Neem een mangel, als je die te pakken kunt krijgen. Doe wat jaren geleden een oude boer mij voordeed. Ik zal proberen het precies te vertellen. Hij ging met een heel grote mangel op een melkkrukje zitten. Alles wat hij deed, ging gepaard met woorden: "Iej nemt eerst oew knipmes. An de platte kante van d'n wottel maak iej een gat, kiek, zoo. Dat goa'j helemoale uuthollen; dan hei'j as 't wäre een groot löög ei. Kiek, iej mot dat arg veurzichtig doon, anders stèèk iej der dwärs deurhen. Hier, noe ma'j der zelluf ogen en een mondgat in sniejen. . . . Dat hei'j netjes edoan, jonge. Noe is oew doodskop kloor. Hei'j een zaklanteern?" "Met Suntekloas ekreeg'n". "Dan goa'j vanoavend in het härtstikke duuster de barg op; dan kui'j veur spook of Wit Wief spöll'n".

De herinnering aan die gebeurtenis verklaarde mijn droom. Helaas werd me in die droom niet geopenbaard, waar dat woord mangel nu eigenlijk vandaan komt. Het zal zeker niet te maken hebben met mengen of verminken. Die werkwoorden doen meer denken aan mangelen of vermengen; mangelen wordt nog wel gebruikt bij het vermengen van grondstoffen, wanneer een heel lang mengproces nodig is. Het grondwoord van dat mangelen is waarschijnlijk het woord 'manus' of hand, dat we uit het Latijn kennen. Mangelen in de betekenis van 'door de mangel halen' heeft waarschijlijk ook te maken met de menselijke handen, want die moesten immers de zware rollen bedienen, waartussen het wasgoed plat en glad 'gewalst' worden moest. Overigens werd vroeger het handelen in goederen, de zogenaamde ruilhandel, ook met de naam 'mangelen ' aangeduid. Hoe het ook zij, de mangel in de betekenis van mangelwortel of voederbiet vinden we in het Hoogduits terug als Mangelwurzel. Het Middelduits kent hiervoor het woord 'Mangolt'. Ons 'mangel' is dus echt wel een woord dat ook in het Saksisch bestaan hebben zal.

Heel goed herinner ik me, dat ik als jongen de mangel eens "beetwortel" noemde. Maar een oom van me maakte me onmiddellijk duidelijk, dat een beetwortel of suikerbiet toch wel iets anders is dan een voederbiet. Zo leerde hij me nog iets over bietsuiker en bietencampagne ook. "An zin in zeutigheid mangelt het mien dan ook neet!" Ja, 'mangelen' is tevens 'ontbreken'.