Mandelig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

"Hoe kom iej an dee prachtige klopbore?" - "Dee hebt mien zönne en ik in de manne". - "In de manne, wat is dat noe weer?" - "Wie doot met al onze gereedschappen samsam. Hee brech dinger in en ik doo dat. Zoodoonde. Zoo hebt mien vrouwe en dochter een hele mooie neimesjiene in de manne. Het is makkelijk. Zoo ken ik luu, dee met zien vieren of vieven dure spullen in de manne hebt".

Manne of eigenlijk mande (met een -d-) is een woord dat je in een aantal Nedersaksische dialecten niet vindt. In het bedrijfsleven zit ook in die streektalen alles in een 'maatschap'. Misschien komt dat, doordat 'mande' van Friese oorsprong is. In het Oudfries wordt al 'mand, monda' gevonden. Dat is gemeenschappelijk grondbezit, heide- of weidegrond, gemene grond of meent genoemd in het Nederlands. Van Deventer is heel bekend dat er gemeenschappelijk weidegebruik was. De Deventer meent was een begrip eeuwenlang. De verwantschap tussen mande en meent verdient enige toelichting, taalkundig tenminste. De -ee- is hier een umlautsvorm van de -aa-. Denk hierbij ook aan 'paard' naast 'peerd'. Het is klankverschil op dialectische gronden. Er is geen betekenisverschil. Wie iets met een ander in de mande heeft, heeft met die ander het gebruik van het roerende of onroerende goed.

Onlangs werd ik in het Groningse heel concreet met het begrip 'mande' geconfronteerd. Een aantal buren in een klein dorp, zij wonen in de zelfde rij huizen, kochten een groot stuk weidegrond achter hun kleine tuinen. Hun tuinen werden wel twintig keer zo groot. Het gemeenschappelijke pad achter hun huizen werd verlegd, maar bleef iedere tuin in tweeën delen. De meeste bewoners moeten dus nu over dat pad door een stukje van een anders tuin. Zo'n pad wordt in die buurt heel praktisch en juist aangeduid als 'mandelig pad'. Van mande is het bijvoeglijke naamwoord 'mandelig' afgeleid, dat echter uitgesproken dient te worden met de klemtoon op -dee-: "mandeelig pad".

'Mande' of 'manne' en 'mandelig' vind ik prachtige woorden, die hun weg in de algemene Nederlandse Taal zouden moeten vinden. Artsen vormen tegenwoordig maatschappen. Waarom vormen zij geen mande. Toegegeven, mande kent geen meervoud, maar je doet als dokter je kennis en instrumenten toch maar in één mande? Waarom vormen mensen in het bedrijfsleven samen een 'kumpenee'('company')? Dat is toch een belachelijk woord? Laatst hoorden een Dialectsprekende kennis en ik iemand die met de 'vut' ging, zeggen: "Ik heb lang genoeg bij die kumpenee' gewerkt". Ieder keer als we hem langs ons tafeltje, het was in een restaurant, zagen komen, fluisterden we: "Kumpewè of kumpenee'?" En dat deden we alleen maar als bespotting van dat gebruik van het Engelse woord 'company' voor 'maatschappij' of 'mande'. En als we elkaar een enkele keer zien, roepen we: "Kumpewè of kumpenee'?" ("Komt hij wel of komt hij niet?").

Ik heb een vriend, die mij voortdurend vraagt die "taalvervuiling" door Engelse woorden te gebruiken waar het niet nodig is, aan de kaak te stellen. Ik wil dat nu eens doen, omdat dat hier goed uitkomt.

'Mande', 'mandelig', 'meent', 'gemeenschap', 'gemeen', 'gemeente', zij houden 'samen' een stukje Nedersaksisch in gebruik. Ik hoop dat vele dialectsprekenden dat gemeenschappelijke van onze taal in ere houden, want het Nedersaksisch is maar niet zo een verzameling oostelijke en noordelijke dialecten; zij stammen uit één taal: Oudsaksisch. Deze kleine bijdrage is dus niet een antwoord op een vraag over een dialect, maar zij komt uit de 'mande' van het Nedersaksisch, waar ieder uit putten mag.