Maltenterig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 december 2008

"Met de fietse oaver de diek van Den Nul noa Wieje. Dat he'k neet zoo vake edoan", zeg ik hardop, als ik tegen de wind in naar Wijhe rijd. Gelukkig is het niet zo ver; bovendien heb ik in 1994 geen last van wagens vol hooi, die mij het zicht op de weg benemen. Vroeger was dat hier anders: dit weidse landschap was een groene met kleurrijke bloemen versierde golvende zee van welig gras. Aan die weidsheid heeft Wieje zeker zijn naam te danken. Een Wiehe of een Wieh is een weidse weidestreek. Neen, dit is niet een "mooi strèkien", zoals een inwoner van Wijhe mij eens zei, "woa 'j uur'n op een bänkien oaver het puntien en 't Ieselstrèkien kiek'n könt". Laat die Wiejese verkleiningsuitgang '-ien', kenmerkend voor de dialecten ten noorden van Olst, maar weg. Dit is een prachtige streek, waar de mens zich vrij voelt en gelukkig. In deze buurt en in Wijhe zelf zou ik nog wel eens een roman willen laten spelen over vrijheidsstrijd, een boek voor de jeugd, spelend in de Tachtigjarige Oorlog bijvoorbeeld, natuurlijk geschreven in het dialect van de IJsselstreek. Met de fiets aan de hand, kuierend door de winkelstraten van dit dorp fantaseer ik er even op los.

"...De hopman, dee met zien troep Franse huursoldoaten de wacht an den diek vlak veur het dörp betrokken had, zag in de värte dree boerenwagens an kommen. Ze wären of'elajen met heuj. De peerden sukkelden oaver den diek, asof ze het ene been neet veur het andere kriegen konden, mär het was dan ook gloepens heite. Langzaam kwammen ze noader. Toen de kärren vlakbie wären, umsingelden de soldoaten de wagens. Een paer pakten de peerden bie het heufdstel. "Tentelen", zei de hopman. De Fransen keken hem neet begriepend an. "Tentez", zei de hopman noe, want hee snapten wel, dat dee nieje troep neet begreep dat 'een voer heuj tentelen' betekenden, dat der met een tentele of tentel in'estoaken most worden um te onderzeuken of der in het heuj meschiens manschappen van de Spaansen verbörgen zatten. De soldoaten begonnen met hun spiessen in het heuj te prikken. Toen gebeurden het: het heuj begon te lèven. Gillend en schreeuwend vloag het heuj op alle koren an de kante, en een stuk of tien Spanjolen kwammen uut het heuj teveurschien. Met de punten van de spiessen op de soldoaten ericht stonden door de trotse Fransen. Ene Spanjool blooiden der. De hopman zag het metene. "Tentez", zei e weer, wiezend op de gewonde soldoat. Een van de Fransen ging noa de man too. Hee deej zien scholdertasse lös, pakten doken deruut um de wond te onderzeuken en te verbinden. Toen hee mär met ene vinger noa hem wees, riep de Spanjool: "Neet doon, dat dut zoo zeer... zoo zeer!" Iej heurden dalijk dat het gin Spanjool was. "Doe niet zo kleinzerig, man; we willen je alleen maar helpen. Als jij zo mal doet, moet je hetzelf maar weten. Maltentelige mannen kun je moeilijk helpen". Toen liet de "Spanjool" zich gedwee onderzeuken en verbinden. Ondertussen wären de Wiejenären van alle kanten an kommen lopen en dee zaggen, hoe de vijand deur de Oranjegezinden of'evoerd werden..."

Einde fantasie. Ik sta midden in het voetgangersgebied en ik vraag me af, of er hier nog mensen zijn die de woorden 'tentele' of peilstok, 'tentelen' ('tenten') of onderzoeken, 'maltentelig' (in het Dèventers 'maltenterig') of kleinzerig kennen. Ik durf het niet te vragen. Ik zal er een artikeltje over schrijven. Dan komen er vanzelf reacties. Bovendien kan ik dan mijn fantasie kwijt over de strijd voor de vrijheid. Of die roman voor de jeugd er ooit komt, valt immers te betwijfelen. Ik word ook een jaartje ouder. Ik loop het dorp uit, de fietsbordjes richting Heino volgend. Ik fiets nu beschut tegen de wind. Lekker!