Lullebärd

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Hij had een lange baard. Sinterklaas in burger werd hij door ons wel genoemd. Mijn ouders kerkten bij hem. Dat wil zeggen mijn vader, mijn moeder had het ook op zondag te druk met haar grote gezin. Ik zie de man nog staan op de preekstoel. Een toga droeg hij niet. Hij was geen officiële dominee, maar hij was evangelist. Mijn vader was het op godsdienstig gebied lang niet altijd met hem eens. Hij uitte dat na de dienst vaak aan mijn moeder. "Hee is een echte lullebätjen", heb ik hem wel horen zeggen. 'Lullebätjen' klonk me niet lekker in de oren. Die man zegt maar wat, betekende het volgens mij. Inderdaad bleek dat de juiste invulling van 'lullebätjen' te zijn. Die prediker was een 'kletsmajoor', een 'lulla', een 'lulmeier', een 'lullebattus'. Wat hij zei, was dus volgens mijn vader geklets of 'lullifikaatsie'.

Lullen of lollen is al heel oud. Het betekent oorspronkelijk 'prevelen', en dan voornamelijk van godsdienstige liederen en gebeden. Ik kan me bijna niet voorstellen dat mijn vader die betekenis van lullen gekend heeft, maar het moet haast wel! Hij gebruikte dat woorddeel gericht op de 'prevelaar', op de godsdienstige spreker. Lallen is trouwens familie van lollen, het is het ongearticuleerde praten en zingen van iemand die onder invloed lijkt te verkeren.

Of mijn vader 'bard' gekend heeft, weet ik niet. Op de middelbare school leerde ik het woord kennen van mijnheer Rispens. Hij leerde mij dat een bard een Keltische, Gallische volksdichter is. In gedachten zag ik zo'n bard, oude man met lange witte baard, op de lier spelend zijn liederen ten gehore brengen. Het Latijnse 'bardus' betekent Gallische zanger. In het Frans spreken we van 'barde'. Als lullen of lollen prevelen, zingen is, dan heeft 'lollebard' iets dubbels. Een lulla is immers een kletsmajoor, maar een bard is dat ook! Ik vermoed dat men op een gegeven moment 'bard' als eigennaam is gaan zien: Bart. Dat verklaart de verbastering van lullebard tot lullebart en lullebattus. 'Lullebätjen' is dan ook beter te verklaren. Ene Bartje kletste maar raak en hij werd een 'lullebartje' genoemd. Op die manier zijn wel meer woorden eerst aaneengesmeed en daarna verbasterd. Zelf zou ik 'lullebärdje' spellen, om aan te geven wat de ouderdom van dit woord is. Het tweede deel is zo oud als de mens Indogermaans gesproken heeft.

Een en ander verzin ik wel niet ter plekke achter de computer, maar bedacht heb ik het wel. Dat moet ik eerlijk bekennen, want ik heb wat 'lullebard' betreft geen enkel aanknopingspunt in het Algemeen Nederlands. Het woord kom ik in een aantal spellingen slechts tegen in dialecten en de spelling met een d op het eind vind ik niet. Ik voer hem voor mijzelf nu in. Ik wil doen blijken dat de kletsmajoor, de schrijver, de predikant een lullebard is, een volksmens die zijn 'lollen' of prevelementjes als een 'bard' of dichter bij de mensen brengen wil. Daarmee ontdoe ik dan tevens 'lullebärd' van zijn negatieve lading. In het Nederlands zou ik 'lollenbard' willen invoeren, wat met die tussen-n-spelling mooi uitkomt. "Meneer Kuijk, wat is uw vak?" "Ik ben lollenbard van beroep". "Wat is dat?" "Dat is iemand die praatjes schrijft en houdt". Zo wordt dit woord van zijn werkelijke waarde voorzien. En hoe kom ik erop dit woord te bespreken? Een neef van me vroeg welk doel ik met mijn schrijven eigenlijk nastreefde. Ik hoefde over het antwoord niet lang na te denken: "Geen enkel, ik vertel graag verhaaltjes; ik ben een 'lullebärdjen'", antwoordde ik. En dat is niet anders. Dat er soms uit mijn schrijverij en praterij wat zinnigs komt, is mooi meegenomen. En om met Woutertje Pieterse te spreken: 'Het schrijven is een schone zaak en schenkt het mensdom veel vermaak'. Dat alles neemt niet weg dat schrijvers lollenbards zijn en blijven, althans volgens mij. Möör wee bin ik? Ach, oke möör een lullebärd. Disse titel geef ik mien vanof vandage, een ander had mien dee toch al egeven.