Loake

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Spelen aan en in het water. En dat bij zonnig windstil weer. Onderwijl kijken naar de populieren die zilveren tegen de blauwe lucht. Schoenen en kousen uit en waden door de sloot naar de beek en dan naar de plas. Dat zou ik nu willen. Maar ik doe het niet. Ik kijk en zie het jongetje gaan met zijn schepnetje. Hij gaat voorzichtig door de eerste lake, die vol kroos zit, dan neemt hij de tweede. Snel beweegt hij zijn schepnetje; hij heeft wat gevangen. Uit een tas aan zijn arm haalt hij een oude stopfles, schept water uit de beek, gooit erin wat hij gevangen heeft. Ik wil niet roepen, om de stilte niet te breken. Hij verwijdert zich steeds verder naar de laatste laak, leek.

Genietend van de natuur lekken meer gedachten mijn brein binnen. Ja, mijn gedachten, mijn wezen, mijn ziel. Ikzelf ben de plas waar alles van buiten inleekt, inlekt, inlaakt. De sloot is een leek of laak; een beek is dat ook. Een kolk is een laak. De Lek is een laak. Loch Ness is een lake, leek.

Leken is druppen. Gedachten leken dus bij mij binnen. Lekken is niet dicht zijn. Mijn brein lekt, mijn gevoel lekt. Gevoelens en gedachten lekken in als levend water; ze lekken uit ook. Of liever, ik laat ze uitlekken, opdat ze in me kunnen uitkristalliseren. Daar moet ik het van hebben. Ik kijk af en toe naar de jongen die door het water gaat; Het lijkt alsof hij op weg is naar mijn jeugd, naar de waterkant van Niessel, de IJssel. Mijn gedachten gaan nog verder, naar de voorgeslachten van de mensen die in de Middeleeuwen leefden. Zij hadden veelal een bestaan op het water. Zij noemden iedere waterloop een lake, ook iedere poel. De kleine vijver in mijn tuin is zelfs een lake. In het Nedersaksisch is het woord gebleven: loake. Meestal is het een sloot die als erfscheiding dient. Onze taal heeft er een aardige uitdrukking aan over gehouden voor een onaardige bejegening. Als ik iemand om wat voor reden dan ook niet wil voorthelpen met wat geld, kan ik zeggen: "Ik kan het bèter in de loake smieten; dan kan ik het tenminsten nog heuren plompen!"

Een sloot uitbaggeren wordt nog genoemd 'een sloot uutloaken'. Loaken is direct verwant aan lekken. In het Oudhoogduits is het 'lahha', uitspraak vermoedelijk 'lacha'. Het Oudengels kent 'laku', uitspraak 'leekoe'. Het Oudnoors kent voor beek het woord 'lökr'. Ik heb eens gelezen dat het Welsh 'llaith' heeft voor ons 'vochtig'. Kortom, denk ik, loake brengt ons niets dan nattigheid, want het begint te lekken uit de hemel. Voor ik mijn regenpak aanheb, komt de regen met bakken naar beneden. Als een loake lijkt al spoedig de weg. In de verte zie ik een eenzame figuur in het water staan. Ik heb medelijden met die kleine jongen.

Loaken, in het Nederlands laken, is bevlekken, schenden. Iemand die alles verslonst en verslatert, wordt in de Achterhoek wel een loaker genoemd. Dat druppelt mijn hersens binnen op het moment dat het plotseling droog is. Zou het droog worden omdat de loaker niets met een loake te maken heeft? Of is er toch verband? Een loaker lekt immers alles, waardoor hij de boel 'verrinneweert'? Ik weet het niet. En het kan me niet schelen ook.

Ik kijk achterom naar de jongen in de loake. Hij is bijna terug op de plek waar hij begonnen is. Hij lijkt wel een hond die aan het spartelen geweest is in het water. Gelukkig schijnt de zon weer. Hij zal we gauw droog zijn. Ik kijk voor me, want ik moet nu langs een wetering. "Een reiger steet als een zilveren lèpel langes de loake ... ." Mooi begin voor een nieuw verhaal, denk ik als ik een blauwe reiger aan het water zie staan. Waarom maak ik hem dan van zilver? Een licht windje zilvert de laak.