Lank

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Vandaag is zij jarig. Ze is een goede vriendin van ons, maar eigenlijk woont ze veel te ver weg. Limburg is een eind, ook met de trein. We gaan haar dus nooit op haar verjaardag bezoeken. Opbellen doen we haar, maar meestal niet op de dag van de viering. We wachten een of twee dagen. Mijn moeder zei vroeger: "Döör mo'j anders nooit te lange mee wachten, want de tied steet neet stille". Ik denk dat ze wilde aangeven dat het met sommige dingen dan weleens te laat kan zijn. En ik kan haar geen ongelijk geven. "...lange mee wachten..." zei zij. Dat 'lange' wordt in veel dialecten zo gezegd. En als de onverbogen vorm gebruikt wordt, zou dat 'lang' moeten zijn. Maar het lastige voor mensen die geen dialect spreken is, dat de -ng- in die vorm vaak overgaat in -nk. Aan onze jarige van vandaag kan ik dat duidelijk maken. Zij is namelijk nog erg slank, zo slank als een slang, maar zij is geen lange vrouw: "Zee is neet lank möör wel slank". En in heel veel dialecten worden daardoor de rijmmogelijkheden aanmerkelijk vergroot.

Er is een gezegde in onder andere het Sallandse dialect: Wee het lank hef, löt het lank hangen. Het is een variant op: Wie het breed heeft, laat het breed hangen. Beide uitdrukkingen zijn ontleend aan de laken- en kledingnering. Wie veel bezit, kan veel uitgeven. Meestal worden deze uitdrukkingen heel spottend gebruikt tegenover mensen die er zeer goed van leven, terwijl "ze gin nègel hebt umm' het gat te krabben". Het beeld is natuurlijk ontleend aan een brede of lange lap stof.

In de Middeleeuwen waren de vormen, zeker in de Saksische streken, met -nk heel gewoon: Iej mutten den konink alle eer geev'm (Zwolle), Goat möör rustig oew gank (Achterhoek), Een skuppe is een mooi dink (Drenthe), De coninck van Hispanje (Holland), Hee gink noa huus opan (Diepenveen). Toch kunnen bij het lezen zelfs goede dialectkenners het moeilijk krijgen wat het begrijpen betreft. Een dialectbeschrijfster belde me op met de volgende mededeling: "Ik heb hier een tekst van Dieëndie en der steet in: Wee het lank hef, löt het lank hangen". En toen kwam de vraag: "Lank begriep ik neet. Watveureen woord is dat?" Ik heb haar het een en ander verteld over -ng en -nk. Ik geloof dat ik in mijn antwoord ook gezegd heb: "O'j noe de uutdrukking met breed of lank gebruukt, dat blif net zoo lank as het breed is".

In 'Huizinga's Spreekwoorden en Gezegden' trof ik onder '5833. Lang.' op bladzijde 343 het volgende aardige rijmpje van Constantijn Huygens (1596-1687) aan: Onder Coiffe (Kap) en onder Huyck (Kapmantel) / Meestal eenderhande pruyck / Ofse bruyn of datse blanck is / 'T is so breed schier als het lanck is. Ook Huygens heeft zich in zijn dagen niet laten bedriegen door uiterlijke schijn en vertoon. En of het nu uit de lengte moet of uit de breedte gaat, de mens kan schijnen wat hij wil, hij heeft in werkelijkheid niets. Al wil hij zich niet bloot geven, hij blijft naakt. Lank of kort, klein of lang, het is zo lang als het breed is. Toch zeg ik in gedachten tegen onze jarige vriendin: "Een lank gelukkig lèven wens ik oe!"

Het moderne Nedersaksisch zal waarschijnlijk meer en meer de vormen met -nk verliezen onder de invloed van het Nederlands. Waarschijnlijk, maar de kans bestaat dat -nk terug gaat vechten tegen -ng. Veel taalverschijnselen hebben een taaie levenskracht; en hoe meer klappen ze moeten opvangen, hoe intenser ze zich verdedigen. Voorspellingen over taalontwikkelingen zijn feitelijk niet te geven. Hoelank is mien Nedersaksisch al in gank? Heel lange, möör meschiens neet völs te lank.