Kupedeuken

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Na de fietstocht in de hitte, ijs-eten in de koelte. Druk is het niet in de ijszaak; de meeste mensen zitten in nog meer warmte ergens in Italië of zo. Nou ja, het Italiaanse ijs is in Salland, de Achterhoek en op de Veluwe even lekker.

We gaan zitten. Het is hier als onder de koelte van de palmen in de subtropen. Honderd jaar geleden, toen mijn moeder geboren werd, was deze welvaart voor ons soort mensen niet weggelegd. Als ik een grote coupe, koep, ijs bestel, zie ik mijn moeder liggen in het koepje, het kuipje, het kuupken, waarin mijn opoe haar waste. Onder het eten van mijn op de tong smeltende lekkernij zie ik Moeder staan aan de wastobbe, boenen op mijn zeer vuile was. "Moeder is vorige week honderd geworden", wil ik zeggen, maar ik houd me in. Ik hoor de bel van de langsrijdende ijscokar, de ieskerre, "Ma'k een eisjen", hoor ik mezelf vragen. Ali tegenover me lacht: "Je hebt al een ijsje!" Dan vertel ik waar ik aan denk. "Moeder heeft toch van onze welvaart genoten", zegt ze. "Denk maar aan haar gezegde: "Ik heb het nog nooit zo goed gehad!" En als ze dat zei, glinsterden haar ogen van genoegen". Ik knik. "Vader heeft dat niet mogen meemaken. Die zou overigens dit jaar honderd en vijf geworden zijn. Dat had makkelijk gekund, als je bedenkt dat er in ons land iemand van honderd en elf rondhuppelt".

We lepelen verder aan ons ijs. Ik geniet volop. Over de rand van de tafel loopt een lieveheersbeestje. Hoe noemde Opoe dat ook al weer? Het had iets met een kupe te maken. Een kupe ... en nog wat! En dat kupe had niets met coupe, koep, koepel, kuip, kupe te maken. Wacht eens, ik dacht dat het een kuipje, een kuupken, was waar gaten in zaten. Was het een kupegater? Nee, Het beestje was een omgekeerde kupe met dutten of deuken erin. En dan ben ik er! Opoe heeft ons verteld over de Lieve Heer, waar dit wondere diertje zijn naam aan te danken heeft. In de Oudheid is de god der liefde Cupido. "Kupedo" zegt de dialectspreker. In ons Nedersaksisch is zo het verkleinwoord 'kupedeuken' ontstaan voor lieve-heers-beestje. Dat heeft dus niets met een coupe of kuip of wastobbe te maken, waar ik nu Moeder weer aan zie staan, terwijl een kupedeuken over haar mooie krullende donkere haren klimt. Het kupedeuken is inmiddels op de rand van de ijskuip geklommen. Dan stijgt het de top van het lepeltje op. Op de top gaan zijn schildjes uiteen en Kupedeuken vliegt de zonnige hemel tegemoet.

"Wat hebben we het goed", zeg ik. "Wat heb ik het goed gehad", zeg ik ook.

Vijftig jaar geleden kwam ik genezen thuis uit het Volkssanatorium in Hellendoorn. Dat lijkt lang geleden. Maar de kupedeukes van toen zagen er uit als die van nu. Ze blijven het symbool van het wezen dat op wil stijgen naar de zon, naar de warmte. Ze dwingen ons op te zien en niet de ogen neer te slaan. Veertig jaar geleden mocht ik beginnen aanstaande kleuterleidsters vertrouwd te maken met kleuterliteratuur. De zwarte puntjes van het kupedeuken mochten de kleuters tellen. Ik weet niet of mijn leerlingen begrepen dat alle literatuur begint met tellen, ver-tellen, maar zij verstonden wel dat beelden symbolen zijn van liefde en haat, van oorlog en vrede, van leven en dood. De prentenboeken gaan nu in massa's over de teunebanken in de boekwinkels. Er zijn veel kupedeukes bij, dierbare boekjes, die bijdragen tot het leefbaar maken van de wereld voor het kind.

"Ali, we moeten weg, de kupedeukes krijgen me te pakken". Ali kijkt me niet begrijpend aan. "Kupedeukes? Wat is dat nou weer voor een woord?"