Kunnigheid

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Als ik Piet Abbringh van RTV Oost hoor, moet ik altijd aan een leermeester van de Kweekschool denken. Die leraar verzekerde ons dat je nieuwe woorden, woorden die je dus voor het eerst hoort, het best onthoudt als je ze te pas en te onpas gebruikt. Piet heeft vast van die schoolmeester les gehad. Hij past in ieder geval de herhaalmethode voortdurend toe, tenminste dat denk ik. Piet, die vroeger thuis enkel Nederlands spreken mocht, heeft zo een Nedersaksisch ontwikkeld, waarin het streekeigene van bijna iedere streek van het Nedersaksisch taalgebied in Nederland voorkomt. Voeg daar nog bij zijn enorme kennis van het Duits, dan kan men nagaan welk een Nedersaksisch er uit zijn mond rolt; het is echt een regiolect. Deze gedachten gaan door mijn hoofd, nu ik hem voor de zoveelste maal hoor zeggen: "Dee heurt allemoale bie jullie kunnigheid, joa toch?" Hij zegt dat altijd een beetje weifelend, alsof hij zeggen wil dat hij niet exact weet wat kunnigheid inhoudt.

Zelf ben ik al jaren op zoek naar de juiste betekenis en de juiste gevoelswaarde. Nog steeds ben ik er niet helemaal achter. Bij de gebruikers lopen, afhankelijk van de streek waar zij geboren zijn, drie betekenissen door elkaar: verwantschap, kennissenkring, vriendenkring. De combinatie van de drie kan ook een betekenis zijn. Zo kom ik tot twee hoofdbetekenissen, verwantschap en vriendschap of bekendheid en vriendschap. Terwijl ik daarover denk, valt me in dat ik beter bij mijn spinsel de draad aan de andere kant kan beginnen, namelijk bij 'kunne'.

Het eerste woord waar ik dan ook aan denk, is 'kunde'. Kunne is geslacht, of manlijk, of vrouwelijk, of onzijdig. Kunne is tevens verwantschap. In het Oudsaksisch is het 'kunni'. Kunni is verwant met koning en met kind. Kunde komt van 'kond'; iemand iets kond doen, is iemand iets bekend maken. In het Oudsaksisch is het 'kuth'. Het zou weleens kunnen dat kunnigheid en kundigheid bij elkaar gekomen zijn in uitspraak. Dat is, gelet op de plaats waar in de mond de -n- en de -d- gevormd worden, een mogelijkheid. Als ik daarbij het feit voeg dat kunne en kunde beide van Oudsaksische oorsprong zijn, leidt mij dat tot de opvatting dat kunnigheid twee grondwoorden en twee grondbetekenissen heeft: verwantschap en bekendheid. Natuurlijk is het zo: familie van elkaar zijn en daarbij ook nog bekenden voeren samen tot een geheel nieuwe betekenis: vertrouwelijkheid.

Natuurlijk weet ik helemaal niet waarom Piet 'kunnigheid' zoveel gebruikt; ik spreek in gedachten maar een vermoeden uit, maar één ding is zeker, hij zegt nooit 'kundigheid', met een -d-. Ik moet hem toch eens vragen of hij kundig is wat betreft de afkomst van het woord. "Ik mot het hem möör is vroagen; hee is immers een kunnigen!" Dat zinnetje zal ik gebruiken, als ik hem ernaar vraag. Hij kan me dan meteen vertellen in welke Nedersaksische taalgebieden kunnig en kunnigheid voorkomen.

Hoe zal ik trouwens het woord spellen? Kundigheid, kunnigheid, kunnegheid. Ik zet de drie mogelijkheden naast elkaar. Kundigheid vervalt. Dat geeft mij te weinig een eventuele verwantschap met kunne weer. Kunnegheid strijdt tegen de spellingregels voor het Nederlands. Kunnigheid blijft. Mijn kunnigheid blijft ook nog lang, naar ik hoop. Er zijn veel mensen die ertoe behoren en de kring wordt steeds groter. "Wat een schäre, foi, foi", zou mijn moeder zeggen. Ook zij hoort bij mijn kunnigheid. Nu ik ga zitten om 'kunnigheid' uit te tikken, denk ik weer even aan haar. Zij sprak haar taal zo mooi. Ook dat hoort bij de kunnigheid, dezelfde taal spreken, ook al spreek je verschillende talen.