Kukeleku

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

De naam Kuijk werd in de jaren vijftig, en nu nog veelal, in het Hengfordense uitgesproken als KUUK. Voor de ouders en hun kinderen was ik, en ben ik, Meester Kuuk. Nu ik naar mijn eerste school zit te kijken, realiseer ik me voor het eerst, dat ik me altijd voorgesteld heb als 'Kuijk', maar dat ik onmiddellijk als 'Kuuk' aangeduid werd. Dit gebeurde niet alleen met mijn naam. Namen met Oud-, Hout-, Goud-, werden meteen overgenomen met Old-, Holt-, Gold-. Namen met Nij- werden tot Niej-; Namen met -OO- werden namen met -EU-: Zomer werd tot Zeumer. Zo ook met -OE-: Bloemink wordt nog steeds Bleumink. Zo diep geworteld zijn de klanken van de eigen taal, die ouders met hun kinderen gesproken hebben. Overigens zou in andere delen van ons Nedersaksische taalgebied, in het Deventer Dagblad van zaterdag 9 juli jongstledenl staat een prachtige kaart van dat gebied, KUIJK geworden zijn tot KOEK. MUIS is in de IJsselstreek MOES, maar op vele andere plaatsen MUUS. Hetzelfde geldt voor HUIS, KRUIPEN, BUIK en ga zo maar door. Iemand die daar alles over vertellen kan, en meer dan dat, is de bekende dialectoloog LEX SCHAARS, die onderzoek doet voor het STARINGINSTITUUT in Doetinchem. Ik denk dat de lezers van dit blad er goed aan doen zijn enquête in het dagblad van zaterdag 9 juli jongstleden volledig in te vullen en op te sturen, opdat hij een goed beeld krijgt van ons Nedersaksische taalgebruik. Dat zal ik ook in een van mijn stukjes vermelden. Door "Kukeleku" kom ik hierop. Dat was immers de bijnaam die de jeugd van de Kletterstraat, de Eikelhof, en later die van Olst mij gaf. Kukeleku kwam van Kuuk, en dat weer van Kuijk. Het is de klanknabootsing van het geluid dat de haan produceert. Ik vind het wonderlijk dat de meisjes en jongens van Hengforden teruggegaan zijn naar misschien de oorsprong van mijn naam: In oeroude tijden vinden we in Saksische en Frankische talen Kuuk, Kiek en Kok (ik moet ze spellen naar hun uitspraak, uutspraak, oetsproak) voor KIP en HAAN. De namen zijn vast ontstaan door klanknabootsing: Tok - tok, Kukeleku. Een kleine Kuuk was een Kuuk-ien. Dat -ien is soms geworden -en (Kuken), soms -je(n) (Mens-jen). Dat was misschien mede het gevolg van welk dialect de doorslag gaf. 'Kintien' voor 'Kindje', 'Wichien' voor 'Wichtje' komt in een aantal Drentse dialecten bijvoorbeeld nog veel voor. Kukeleku, Kuuk, Kukien, Kuiken. Dan komt Kuijk. Er moet bij vermeld worden dat -ij-, -i-, -e-, -y- tekens waren, die gebruikt werden voor verlenging van de korte klinkers: dit - dier, dot - doet (dood), dor - Oirschot (Oorschot), nul - uyl (uul of oel). Dat is een moeilijke materie. Dat moet ik me wel realiseren. Er zijn heel veel mensen voor wie het geschrevene taal is, die niet naar het dichterlijke van 'KUKELEKU' luisteren, maar die zich onmiddellijk afvragen: "Hoe moet ik dat spellen?" Natuurlijk wil men zich aan de geldende regels houden, maar die zijn er voor het Nedersaksisch in zijn geheel (gelukkig?) niet. Voor afzonderlijke dialecten zijn ze er wel; daarbij is de uitspraakregel de voornaamste. Waar het niet terzake doet, worden dan de regels voor het standaard-Nederlands gevolgd. Als voorbeeld kan ik het stukje nemen: Onroerend goed (uit het Drents, uit een blad uit Eelde).

Ik vreug is an een olde slak: "Wat dot dat hoes daor op je nak? Er is veur jow in 't dorp verdan wel 'n hoesstee in 't bestemmingsplan." Maor d'olde zee: "Awt 't aanders doet, krieg 'k een anslag veur onroerend goed."

Zo, dit kan ik weer thuis uitwerken. Het ei is gelegd. Tok - tok - tok ...... Kukelekuuuuu..... Verder naar Olst.