Kuizen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Door de viaduct aan de Veenweg, door dialectsprekers dikwijls 'Vènentundel' genoemd, fiets ik richting Brinkgreven. Deventenaren kunnen zich voorstellen hoe ik dan fiets. De fiets geeft de mens veel kans waarnemingen te doen, waar de fietser zijn gedachten 'oaver kan loaten gliejen' (over kan laten glijden). Voor veel 'eigenheimers' in het Saksenland 'rit' (rijdt) een fiets niet, maar hij 'glit' (glijdt). Voor hen gaat de fiets 'fffftttsss...' voorbij. Aan deze klanknabootsing zou de naam 'fiets' te danken zijn. 'Fiets' zou in Deventer ontstaan zijn, want daar werden de fietsen gemaakt bij 'BURGERS E.N.R.'. 'E.N.R.' stond voor 'Eerste Nederlandse Rijwielfabriek'. De fabriek is helaas opgeheven. Ik kom hierop niet door mijn 'fietse', maar door het feit dat de fietsenfabriwek aan de Rozengaarderweg stond; ik kom daar nu net langs.

Ik ben het trouwens met dat 'verhaaltjen' (die anecdote) over 'de fiets' niet helemaal eens. In Nederland bestaat het woord 'fiets' al een paar honderd jaar. Dat kunnen we zien aan een groot aantal ('een boel' in de oostelijke dialecten) eigennamen: Viet, Viets, Fiets. Ik vermoed dat het Franse woord 'vitesse' aan de naam 'fiets' ten grondslag ligt, maar zekerheid krijg ik daarover natuurlijk nooit. Voor mij staat vast dat de 'Dèventer zeenswieze' (zienswijze) een 'spreuksken' (verzinsel) is.

Over het 'glijen' in plaats van 'riejen' (rijden) is meer met zekerheid bekend. Mij is gebleken dat 'rijden' in onze dialecten 'varen' genoemd werd; denk maar eens aan 'een voer hooi'. De boerenwagens gingen hortend en stotend ofwel 'bolderend' over de weg. Het woord 'rijden' kwam in zwang, toen het allemaal wat makkelijker ging, maar.... 'rijen (riejen') betekende al 'paard'-rijden. Vaak werd uitgeweken naar het woord 'glijen (gliejen)'. Kinderen in deze streken die een step cadeau kregen, noemden die dan ook een 'glijer (gliejer)'. Nu weten we meteen waar 'ridder' vandaan komt: 'rit-er' is 'ruiter'.

Ondertussen ben ik bij 'Brinkgreven', op de grens met Schalkhaar, aangekomen. De grote kogel-keien, prachtige bollen, liggen nog steeds op de korte zuilen bij de ingang van de oprijlaan. Ik stap af om even naar die 'kuizen' te kijken. Ik denk dan aan mezelf, want de jongens op straat - vroeger - zeiden altijd: "Dee Kuijkie hef mien toch een grote kuis, veertig-plus'". En dat was waar. Ik weet niet of er nog veel aan 'kuizen-tikken' wordt gedaan, of aan 'knikkeren', maar dat is hetzelfde. 'Kuizen' zijn de onooglijke, veel in kleur verschillende, van klei gebakken 'knikkers'. De glazen knikkers werden, meen ik, in mijn jeugd al 'knikkers' genoemd. Een 'härtstikke' grote glazen knikker heette 'tokkerd', want je kon er zo mooi de 'kuizen' mee in gruzelementen 'tokken'. De 'looien tokkerd' was een begerenswaardig bezit. Hij was van lood of een lood-legering en was heel zwaar. De geschiedenis van het woord 'kuis' ken ik heel toevallig: 'kuis' is afkomstig van 'kuus'; 'kuus' heeft een vorm met een andere klinker: 'kies'; 'kies' is familie van 'kiezel' .... Een 'kiezel' is een door 'kuzelen' of 'rollen' rond geslepen steentje en zo is dat steentje een 'kuus' geworden. Dat woord is verhollandst tot 'kuis'.

 

"Hee, Geit, stoa'j weer wat te verzinnen?"

Ik hoor meteen dat het mijn broer is. Ik stap dadeijk op en rijd naar hem toe: "Nee, ik mot nöör het gemeentehuus in Skallekbattum".

Jan lacht; bij hem doen zulke woordgrapjes het altijd nog.

Samen slaan we rechtsaf, richting Schalkhaar.

Daar staat het gemeentehuis van Diepenveen.