Kouwe

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

"Op-esloaten veule ik mien. Ik kan neet onder een ander werken. Mienzelluf wil ik wèèn." En zo praat de jonge knul nog een tijdje door. "Maar waarom ben je dan niet op school gebleven?" vraagt zijn chef. De jongen zegt dat hij zich daar net zo min vrij voelde. Hij vond de school net een gevangenis. "Ik zatte in een kouwe as een veugeltjen, ik wazze net een perkietjen!" Het laatste schreeuwt hij uit. Ik hoor dit gesprek zwijgend aan. Toevallig zit ik in het kantoor van dit bedrijfje. En de chef wil gewoon dat ik er als 'opvoeder' bij blijf. "Tenslotte ben je leraar, niet waar?"

Het is met die jongen prima voor elkaar gekomen, weet ik sinds een paar maanden. Hij kreeg een meisje, meende natuurlijk vrij te worden, maar werd juist dubbel gekooid: op haar aanraden maakte hij de middelbare school af en ... hij trouwde met haar. Hij runt zijn bedrijf; zij houdt de touwtjes in handen. Ik ben al lang gepensioneerd. Men zou kunnen zeggen dat het voor mij begint te winteren, al nadert de lente met rasse schreden. Voor hen 'douwt' het nog, om maar eens een oud Nederlands literair beeld te gebruiken. Zij zijn in de warmte van hun leven. Misschien smelten ze nog bij elkaar weg, hoe romantisch, en ontdooien zij bij het elkaar-in-de-ogen-kijken.

Dooien - douwen (niet te verwarren met dauwen), kooi - kouwe, tooi - touw. Je zou bijna zeggen, dat als je iemand mooi aankleedt en versiert, je hem of haar tooit, je die persoon met touwen bindt en hem of haar zo kooit of kouwt. Wie dat denkt, heeft nooit 'De Bruid' van Jan Prins gelezen. Dit gedicht begint, geloof ik, zo: 'De lucht over de jonge dag/ was helderder dan ooit./ Iets ongewoon verblijdends lag/ in weide en veld gestrooid./' In dit gedicht vieren Holland en de Lentezon hun bruiloft. En de bruid, Holland, is er in lentetooi. Zij is getouwd. Hij, de zon, is ook feestelijk 'afgewerkt', hij heeft zich 'gereed gemaakt' om te trouwen. Hij heeft zichzelf verlost uit zijn vrieskooi, uut zien kouwe, waarin kouwe letterlijk betekent kooi, kevie of val, een ruimte om dieren in te vangen en gevangen te houden. Het Oudsaksisch kende het verschijnsel 'val' heel goed. De mens gedroeg zich in het verleden immers ook al als een dier. De eigen soort werd gevangen. Het woord voor kooi klonk als 'kevia'. Je zult je maar opgesloten voelen als in een donker uitzichtsloos hol. Toch hebben velen letterlijk en figuurlijk zo gezeten. Zelf heb ik wel zo vast gezeten, ik weet waar ik over praat.

Jan Prins, de dichter C.L.Schepp, doet me denken aan die lente, die mij aankondigde dat mijn kooi in de zomer open zou gaan, nu bijna achtenveertig jaar geleden. Ik was genezen van mijn ziekte. Ik mocht de vrijheid tegemoet. Aan het onderwijzen der lieve jeugd mocht ik me weer gaan wagen. Ach, lieve mensen, daar heb ik me ook weleens in een kooi gevoeld, maar gekooid was ik nooit. De vrijheid had ik immer om mijn klas te verlaten. Om de school vaarwel te zeggen. Ik heb dat nooit gedaan. Toch was ik een beetje als die balsturige jongen: ik liet me ook niet om een klepboodschap sturen. Mijn kleindochter ook niet. Ik: "Breng eens even dat kopje van Opa naar de keuken!" Kleindochter: "Dat kun jij zelf ook wel!" "Goed zo", denk ik, "laat je niet inpakken, meid." Ik zie die man weer, die in het dialect een vierregelig versje voordroeg; dat was me uit het hart gegrepen: De titel is 'Sloaven'. As ik neet flexibel doo,/ geet veur mien de knippe too./ "Nou, ze doot möör, zeg mien vrouwe;/ iej zit döör neet in een kouwe!"

En hij had ook het geheel nog kunnen versterken door verkleinwoorden te gebruiken: "... zeg mien vruiwken;/ ... neet in een kuiwken. Leve het Licht, leve de Vrijheid!