Kösteren

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Toen we de kerk uit waren, zag ik in gedachten wat er gebeuren zou. De koster en de kosteres kwamen na de dienst controleren of er nog zaken van de kerkbezoekers achtergebleven waren. Dat behoorde immers tot hun taken. Vele werkzaamheden waren er voor hen in deze heel kleine kerkgemeenschap. Daar waren de schoonmaakbezigheden, die toch wekelijks gebeuren moesten; voor de halfjaarlijkse grote schoonmaak hadden ze gelukkig extra hulp. Dan waren er de vergaderingen in de week, in de consistoriekamer, van de kerkeraad. De dominee had een aantal catechisaties te geven in een aparte daarvoor ingerichte ruimte. Dat waren zo maar wat dingen die me te binnen schoten. En nu zou het kostersechtpaar er nog een karweitje bijkrijgen, want ze zouden het vast ontdekken. Echte opschötteling, puber dus, als ik was, had ik me achter in de kerk laten opjutten mee te doen aan het snijden van hartjes; in de donkerbruine banken nog wel. Die hartjes zouden nu ontdekt worden. Woensdag moest ik naar kattebak. Ik zag het tafereel al voor me. De koster kwam binnen. Hij sprak dialect; dat zou hij nu ook doen: "Dominee, ma'k èven wat an de jongeluu vroagen? ... Iejluu weet da'k de köster binne. Mien vrouwe en ik köstert noe a' meer as twintig joor in dit gebouw, möör dit hebbe wie nog nooit mee-emaakt, dat der härten in de banken esnejen wieren. Wie wollen welis weten wee dat dejen!"

Er zou niets anders opzitten dan eerlijk te bekennen die woensdag. Ik ging met lood in de schoenen naar catechisatie. Ieder moment keek ik naar de deur en ik luisterde constant of ik de schreden van de köster hoorde, maar er gebeurde niets. Een beetje opgelucht maar vol twijfels ging ik naar huis. De volgende zondag, kwart voor tien, zat ik weer achterin. Spiedend keek ik naar de köster, die wat door de gangpaden kösterde. Hij liep op en neer, heen en weer, om de mensen een plaats te wijzen. Zoals altijd ging er niemand op de eerste banken onder de preekstoel zitten. Dominee kwam binnen. Hij beklom de prèèkstool. "Voor wij beginnen, geliefde broeders en zusters", zei hij, "wil ik graag dat de lege banken op de eerste rij bezet worden. Die jongelui op de achterste bank, die onder de preek zo graag zitten te kaarten of hartekreten in de banken snijden, moeten maar eens naar voren komen. Daar liepen wij ten aanschouwe van alle aanwezigen als ganzen naar de veurste rieje. Het was doodstil. De kerk genoot. Die morgen liet Dominee veel zingen; een lange preek was niet nodig.

Nu weet ik dat koster afkomstig is van het Latijnse custor, ontstaan uit custos, wat bewaker betekent. In onze taal, het Nedersaksisch, is het tot köster geworden. De köster is de bewaker van de roerende en onroerende zaken in de kerk. Kösteren heeft dan ook mede in onze streken de betekenis gekregen van kleine karweitjes verrichten. Er wordt vaak gezegd: "Ik bin vandage möör zon beetjen an het kösteren" of "Loat dee man toch kösteren, hee kump vanzelf wel too an wat iej graag wilt dat e (hij) dut (doet)". Omdat bij het doen van klusjes een mens nogal heen en weer drentelt, is kösteren ook drentelen gaan betekenen. "Dat kind köstert möör wat hen". In die betekenis wordt ook wel köttelen gebruikt. En zo is dan kösteren ook kuieren geworden. En omdat in Twente kuieren gelijk staat met een praatje maken, kan ik met een vriend staan te kösteren; we keuvelen dus maar wat met elkaar.

Al deze deelbegrippen vormen samen het begrip kösteren. En wie köstert als beroep, bewaakt, verricht karweitjes, drentelt, keuvelt, gaat zijn eigen gang en ... zij of hij voedt nog op ook! Want kosteren is schoolmeesteren. In vorige eeuwen was de koster immers tevens schoolmeester.