Koeren

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

Een mens moet zich er goed van bewust zijn dat bijna alles wat zij of hij weet, ontleend is aan de geest van hen die haar of hem zijn voorgegaan. Wij hebben bijna niets van onszelf. Dat geldt ook op het terrein van de ontdekkingen, van het blootleggen van dingen die voorheen voor ons verborgen waren. Zo is Amerika vele malen ontdekt, en is duizenden malen het wiel uitgevonden. En nog steeds zijn er lieden, die menen dat zij het 'rad' nog eens moeten 'uutvind'n'. Dat geldt ook voor mezelf. Op dit moment heb ik bijvoorbeeld een vondst, die ik nooit ergens uitgestald gezien heb. En die vondst gaat over 'kuieren', in de betekenis van rustig lopen, een wandelingetje maken, genieten van het gezelschap van een ander en van de omgeving. Die vondst heb ik te danken aan twee personen en één boek. De twee personen wil ik hier met ere noemen. Het zijn de heer De Graaf en mijn broer Henk. Het boek is een serie afleveringen van 'Ach Lieve Tijd'. De rest van mijn wetenschap over 'kuieren' komt uit het zoekende verstand van alle taalmensen die voor mij hier mochten vertoeven.

Mijnheer De Graaf belde mij op. Hij had een dispuut gehad over de betekenis van 'koer-' in het woord 'Koerhuis' en 'Koerhuisbeek'. Die beek is de grens tussen het Overijsselse en het Gelderse. Hij wilde weten welke betekenissen 'koer-' zoal hebben kon. We waren het erover eens dat 'koeren' wachtlopen en uitkijken was. Andere betekenissen van 'koeren' namen we ook door, maar die waren in het grensgebied van Overijssel en Gelderland in de Middeleeuwen en daarna niet van toepassing: het was geen kuurgebied en duivenmelkers woonden er niet op Het Koerhuis (Koerhuus).

Ik sprak erover met Henk, mijn broer dus, die mij een dag na ons gesprek opbelde met "Voor Het Koerhuis, zie 'Ach Lieve Tijd', 1000 jaar Deventer, de Deventenaren en hun reislust, Waanders Uitgevers in samenwerking met de Atheneumbibliotheek, het Gemeentearchief en Museum De Waag, bladzij zesendertig". 'Ach Lieve Tijd' is een boek in afleveringen, waarvan de pagina's doorgenummerd zijn. In de tweede aflevering trof ik de afbeelding aan van Het Koerhuis in het midden van de achttiende eeuw, blz. 37. Onderaan blz. 36 staat: "Het Koerhuis op de Bergweide in het jaar 1744. Het Koerhuis ('coeren' betekent op de uitkijk staan) was van oorsprong een wachthuis, een uitkijkpost ter bewaking van de stad en de stadsweiden. Vanaf het midden van de 17de eeuw werd hier tolgeld geïnd van reizigers van en naar Zutphen. Het Koerhuis werd toen tolhuis (MDW)." Van courir (een wijze van lopen) tot couren en coeren is maar een kleine stap. Coeren werd koeren, maar ook curen en ... cuyren. In de Middeleeuwen werd cuyren uitgesproken als kuuren, met een lange -uu- dus. En nu de ontdekking: De -uu- werd in het moderne Nederlands -ui-. Kuren, lopen met rustige stap om de wacht te houden, werd kuiren, en dat kan men niet anders uitspreken dan als 'kuieren'. De betekenis 'wacht houden en uitkijken' ging verloren. Zo werd 'kuieren', rustig stappen, gelijkluidend aan 'kuieren', over koetjes en kalfjes praten, wat een woord is van Twente en de Achterhoek. Dat kuieren komt van het Oostmiddelnederlandse 'coyeren','coderen', wat het langzaam op en neer bewegen van de halskwab is bij het keuvelen. 'Coder' is halskwab. Men kan hierbij ook aan kwebbelen denken. Kuieren als stappen stamt dus volgens mij van het Franse courir, het gelijkklinkende kuieren als langzaam, rustig praten van coder of cossem. 'Ach Lieve tijd', mijnheer De Graaf, Henk Kuijk, allemaal bedankt. Zonder jullie was ik niet op dit dubbele spoor gekomen. Nu hoop ik maar dat ik geen verkeerde wissel genomen heb! Nou ja, het blijft toch geen onaardige wisseltruc.