Koeken

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: maandag 15 december 2008

"Met plezier las ik Uw "stobben" in de rubriek "vertaald". Dat geldt het hele stuk, maar vooral één opmerking - terzijde - over het woord stoof. Stoof is familie van stobbe. Ik vond dat leuk, want mijn vader, een Drenth uit Dwingeloo, noemde een bepaald soort hoge, ronde of vierkante koeken: stoofjes of stooffies. Er was altijd een scherp onderscheid tussen taartjes en stoofjes! Ik zei weleens tegen hem dat ik die naamgeving to the point vond, die "Uddelermertjes" of "abrikozen-vierkantjes" lijken immers op stoofjes? Hij keek dan wat onbestemd, ik begreep dat het zo niet zat. Hoe dan wel? Dank zij U durf ik nu te concluderen dat het woord (of de stam van een woord?) achter de stoof en de stobbe "hetzelfde" is. Dat speelde wat onbestemd door zijn hoofd. Natuurlijk was een "stooffien" niet een koek. "Koek" was Deventer koek of Groninger koek. Natuurlijk was "Oldewieven" ook een koek, dat was Oldewieven-koek. "Stobben" hoorde als begrip, ook voor mij, tot de onvertaalbare woorden. Stronk is het ook niet (?), want er moet nog wat boomachtigs boven de grond te zien zijn.

Mijn vader is in 1894 geboren en in dit voorjaar gestorven. Zijn "Dwingeloo" was hij wel vergeten, maar niet die woorden waarvoor hij, denk ik, geen passend equivalent in het Nederlands kende. Zoals genoemd stoofje."

Ook mijn vader is in 1894 geboren, mijn moeder in 1899. Ze zijn van dezelfde generatie als de vader van de briefschrijfster, een brief die ik met enige eerbied voor haar in mijn handen houd: ze verwoordt nog eens het wonder dat taal is. Meestal laten bepaalde concrete zaken zich niet anders benoemen dan de eerste naamgever gedaan heeft, want hij of zij had ondervonden wat het in zijn leven betekende. Die betekenis gaat voor de "eter", de opnieuw-belever, gepaard met gevoelens, die enkel leiden tot inkeer in jezelf en dus tot zwijgen en herbeleven. Wat heeft de vader van mevrouw misschien genoten van de herinnering aan het feestelijk nuttigen van een stooffie! Ik zie bij het herlezen van deze brief mijn moeder staan in de keuken bij het 'fernuus'; ze staat 'öliekoken' te bakken, ja öliekoken en geen oliebollen. Zo noemde ze die nu eenmaal. Bij 'koken' dacht ik dan echt niet aan: koek, baksel van onderscheiden vorm, in pan of pot dan wel in de oven bereid uit deeg met verschillende ingrediënten, in het Middelnederlands coke of coek geheten, in het Engels cake (keek), in het Duits Kuchen (koechen), in het Nedersaksisch koke; koek is verwant aan koken. Koken is verhitten of spijzen toebereiden; in het Latijn is dat coquere. Ik dacht ook niet aan gaar stoven, dat weer verwant is aan stobbe en aan stooffie. Neen, 'koken' waren de feestelijke, van inktvisachtige slierten voorziene, öliekoken van mijn moeder, die we op oudejaarsdag en met nieuwjaar warm aten, alsof ze gestoofd waren. Daar denk ik aan, als ik het woord stooffies in deze brief zie staan.

Als moeder genoeg öliekoken gebakken had, goot zij de rest van het deeg, dat beslag heette, in de 'kokepanne' en zij zei: "Noe maak ik van de rest een lekkere pofferd. 't Is zunde anders van 't beslag." Ik stond ook daarbij te kijken. "Dee pofferd wördt steeds dikkeder", zei ik eens. "Dat kump van 't gist wat der in 't beslag zit, döör wördt 't een echte pofferd van."

Als het kokkerellen achter de rug was, was moeder vuurrrood van de hitte en de moeheid. "Ik bin zelluf gaer estoafd", zei ze dan. Dan werd het feest. De jaarwisseling kwam eraan. Begin januari rook je de geur van de 'koken' nog. En de mensen wensten elkaar ieder nieuwe jaar weer: "Völle heil en zegen." In de oorlog werd dat: "Weinig heil, völle zegen!"